-
Title
-
Letter to R.F.M. Lubbers
-
Description
-
From the folder: 'Wereldmilieupolitiek'. With annex, list of signatories. See also B.5.20-8
-
Date
-
1989
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR_B.5.20-9
-
229
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM229_NL-RtEUR_TBCOR_B.5.20-9.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
- OPEN BRIEF -
Datum: 20 maart 1989
Aan: De Minister-President Drs. R.F.M. Lubbers Ministerie van Algemene Zaken Postbus 25001 2500 EA 's-Gravenhage
Onderwerp: Het Nationaal Milieubeleidsplan
Mijnheer de Minister-President,
In het eind vorig jaar door het RIVM uitgebrachte rapport 'Zorgen voor morgen' staat het in duidelijke taal: het gaat niet goed met het Nederlandse milieu. In deze integrale milieuverkenning wordt aangegeven dat een drastische vermindering van de uitstoot van tal van milieubelastende stoffen met 70-90% noodzakelijk is. Om deze hoge reductiepercentages te kunnen halen zullen op korte termijn strenge milieumaatregelen moeten worden getroffen. Hierover is iedereen het wel eens. In zijn voorwoord bij 'Zorgen voor morgen' zegt minister Nijpels dan ook "dat een vergaande aanpassing van ons omgaan met het milieu geen uitstel kan velen, ook al hebben we te maken met tal van onzekerheden". Tevens merkt hij op dat uitstel van acties "uiteindelijk ook ten koste kan gaan van de economische ontwikkeling". De economische consequenties van het milieubeleid staan de laatste tijd sterk in de belangstelling. In het kader van het uitbrengen van het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) wordt volop gediscussieerd over de kosten en de kosten-effectiviteit van milieumaatregelen, de financiering van het milieubeleid en de verdeling van de lasten. Mede als gevolg van deze discussies heeft het verschijnen van het NMP vertraging opgelopen en is het vooralsnog onduidelijk wanneer het zal worden gepubliceerd.
In deze brief willen wij, als economen en milieu-economen, een aantal economische consequenties van een verder uitstel van het NMP of van een 'uitgekleed' pakket milieumaatregelen onder Uw aandacht brengen. Bij de discussie over de economische gevolgen van milieumaatregelen staat veelal de korte termijn centraal. Wij willen met name de lange-termijn implicaties van een uitgesteld of afgezwakt milieubeleid benadrukken.
Het Nationaal Milieubeleidsplan zal in het kader staan van 'duurzame ontwikkeling'. Dit houdt in dat de behoeftenbevrediging van huidige generaties niet de mogelijkheden tot behoeftenbevrediging van toekomstige generaties in gevaar mag brengen. Ook in de toekomst is het milieu het draagvlak van de economie! Onze huidige produktie- en consumptiestructuren leggen een groot beslag op de aanwezige hoeveelheid natuurlijke hulpbronnen. De produktieve baten van nu worden verkregen door roofbouw op het milieu, in de zin van uitputting van grondstoffen en een zeer omvangrijke vervuiling van water, bodem en lucht. Toekomstige generaties zullen hiervan de rekening gepresenteerd krijgen, niet alleen in de vorm van hoge bestrijdingskosten, maar ook in de vorm van een slecht leef- en produktiemilieu met alle economische gevolgen van dien. Zo valt een ernstige ontwrichting van het economische systeem te voorzien, wanneer niet onmiddellijk vergaande milieumaatregelen worden getroffen. Ook zullen de risico's ten aanzien van de volksgezondheid kosten met zich meebrengen waarvan de omvang niet is te overzien. Het is onze gezamenlijke verantwoordelijkheid met de lange-termijn gevolgen rekening te houden bij het formuleren van het milieubeleid voor de komende jaren.
Het milieu kent geen prijs en is een (vogel-)vrij goed, waar dan ook door iedereen gebruik van wordt gemaakt. Hierdoor wordt een schoon milieu steeds schaarser. Dit vergt een actief ingrijpen door de overheid. Toepassing van financiële instrumenten, bijvoorbeeld in de vorm van heffingen (eventueel in combinatie met subsidies), kan een zeer effectief instrument zijn om de milieu-aantasting tegen te gaan. Als aanvulling op regelgeving en normering zijn financiële instrumenten een steun in de rug voor het beleid, vooral ook doordat ze een prikkel vormen voor de vervuiler om te blijven zoeken naar nieuwe technieken met een hoger zuiveringsrendement. Bovendien moet men zich realiseren dat zeker op de lange termijn de kosten voor herstel van milieu-aantasting vele malen hoger zullen liggen dan de kosten die nu gemaakt moeten worden ter voorkoming van die milieu-aantasting. Het uitstellen of afzwakken van milieumaatregelen met het oog op het financieringstekort of de collectieve lastendruk zal tot gevolg hebben dat in de toekomst het financieringstekort drastisch zal moeten oplopen of dat de collectieve lasten sterk zullen moeten stijgen als gevolg van noodzakelijke en kostbare herstelmaatregelen.
Een ander aspect waar wij in dit kader Uw aandacht op willen vestigen betreft de gevolgen van het milieubeleid voor het bedrijfsleven. Een veel gehoord argument voor een gematigd milieubeleid is de internationale concurrentiepositie van bedrijven. Nederland zou zich op milieugebied geen voortrekkerspositie kunnen veroorloven. Wij onderkennen de noodzaak van een gecoördineerde internationale samenwerking. Dit betekent echter niet dat er geen ruimte zou zijn voor nationaal beleid. Het is zeer goed mogelijk dat voor bepaalde economische sectoren op langere termijn het vermeende concurrentienadeel zal omslaan in een concurrentievoordeel ten opzichte van landen die pas in een later stadium overgaan tot een stringent milieubeleid. Export van in Nederland toegepaste milieuvriendelijke technologie biedt dan nieuwe economische perspectieven en kansen voor werkgelegenheid. Tevens doet zich hierbij de vraag voor of het kostenargument wel het zwaarste weegt voor bedrijven, bijvoorbeeld bij het kiezen van een vestigingsplaats. Er zijn aanwijzingen dat onzekerheid en verwarrende of tegenstrijdige berichtgeving over het te voeren milieubeleid veel meer van doorslaggevende aard zijn dan de kosten die een bedrijf moet maken als gevolg van helder en duidelijk geformuleerd milieubeleid. Er zijn tal van voorbeelden te geven van bedrijven in binnen- en buitenland, die met het treffen van milieuvriendelijke maatregelen aanzienlijk economisch rendement hebben behaald. 'Pollution prevention pays' is daarom niet alleen theorie, maar wel degelijk ook praktijk.
Het is essentieel dat nu duidelijkheid wordt gegeven over de milieurandvoorwaarden op langere termijn, zodat bedrijven hierop kunnen inspelen met behulp van procesgeïntegreerde milieuvriendelijke technologie, in plaats van steeds weer te worden geconfronteerd met korte-termijn verrassingen waarop met kostbare ad-hoc maatregelen moet worden gereageerd. Duidelijkheid over het lange-termijn milieubeleid is een voorwaarde voor een harmonieuze ontwikkeling van economie en ecologie.
Resumerend is het derhalve ook vanuit economisch oogpunt gezien van het grootste belang dat er spoedig een Nationaal Milieubeleidsplan verschijnt, waarin op duidelijke wijze het milieubeleid voor de langere termijn staat aangegeven. Daarbij dient onze gezamenlijke verantwoordelijkheid ten opzichte van toekomstige generaties voorop te staan en moeten korte-termijn doelstellingen met betrekking tot financieringstekort, collectieve lastendruk en koopkrachtstijging op de tweede plaats komen.
Met verschuldigde hoogachting,
Namens de in de bijlage vermelde (milieu-)economen.
Prof.dr. J.B. Opschoor Prof.dr. J. Tinbergen
c.c. - de minister van Binnenlandse Zaken
- de minister van Buitenlandse Zaken
- de minister van Economische Zaken
- de minister van Financiën
- de minister van Justitie
- de minister van Landbouw en Visserij
- de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- de minister van Verkeer en Waterstaat
- de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
- de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
Bijlage
LIJST VAN ONDERTEKENAARS
Drs. P.J.A. Baan
Drs. A.J. de Boo
Drs. T.H. Botterweg
Drs. F.J. Dietz
Drs. P. van Driel
Dr. P.E. Metz
Prof.dr. A. Nentjes
Drs. M.P. van Nugteren
Drs. E. Nijenhuis
Prof.dr. P. Nijkamp
Drs. F.A.M. Eppink
Prof.dr.mr. B. de Gaay Fortman
Drs. O.J. van Gerwen
Drs. B.F.J. Grimberg
Dr. W.A. Hafkamp
Drs. F.H. Oosterhuis
Ir. P.J.M. Oosterveer
Drs. F. van Oostvoorn
Prof.dr. J.B. Opschoor
Dr.ir. A.J. Oskam
Prof.dr. A. Heertje
Drs. W.J.M. Heijman
Drs. R. Hoevenagel
Ir. N.J.P. Hoogervorst
Dr. R. Hueting
Prof.dr. J. Pen
Drs. J.W. Schot
Drs. H.W. Sips
Drs. F.J. Soeteman
Drs. F.W. Steenhuisen
Drs. G. Huppes
Drs. E.C. van Ierland
Drs. R. Janssen
Drs. J. Jantzen
Drs. G. Klaassen
Drs. J. van der Straaten
Ir.drs. P.J. Tack
Drs. G.F. Tamminga
Drs. G.J. Thijssen
Prof.dr. J. Tinbergen
Drs. J. Krozer
Ir. O.J. Kuik
Drs. A.P.M. Laan
Drs. F. van Leersum
Drs. G.J. van der Meer
Drs. H.R.J. Vollebergh
Drs.ing. J.B. Vos
Drs. K.F. van der Woerd
Drs. D. Wiersma
Dr. Th. Zuidema
-
en
- OPEN LETTER -
Date: March 20, 1989
To: The Prime Minister Drs. R.F.M. Lubbers Ministry of General Affairs P.O. Box 25001 2500 EA The Hague
Subject: The National Environmental Policy Plan
Dear Mr. Prime Minister,
In the report 'Concern for Tomorrow' (Zorgen voor morgen) released by the RIVM at the end of last year, it is stated in clear language: the Dutch environment is not doing well. This integrated environmental assessment indicates that a drastic reduction in the emission of numerous environmentally harmful substances by 70-90% is necessary. To achieve these high reduction percentages, strict environmental measures will have to be taken in the short term. Everyone agrees on this. In his foreword to 'Concern for Tomorrow', Minister Nijpels says "that a far-reaching adjustment of our handling of the environment cannot tolerate delay, even though we are dealing with many uncertainties". He also notes that postponing actions "can ultimately also be at the expense of economic development". The economic consequences of environmental policy have recently been the focus of much attention. In the context of the release of the National Environmental Policy Plan (NMP), there is extensive discussion about the costs and cost-effectiveness of environmental measures, the financing of environmental policy, and the distribution of the burdens. Partly as a result of these discussions, the appearance of the NMP has been delayed and it is currently unclear when it will be published.
In this letter, we, as economists and environmental economists, wish to bring a number of economic consequences of a further delay of the NMP or of a 'stripped-down' package of environmental measures to Your attention. In the discussion about the economic consequences of environmental measures, the short term is often central. We specifically want to emphasize the long-term implications of a delayed or weakened environmental policy.
The National Environmental Policy Plan will be framed by 'sustainable development'. This means that the satisfaction of the needs of current generations must not jeopardize the possibilities for the satisfaction of the needs of future generations. In the future, too, the environment is the foundation of the economy! Our current production and consumption structures place a heavy burden on the available amount of natural resources. Today's productive benefits are obtained through the over-exploitation of the environment, in the sense of the depletion of raw materials and very extensive pollution of water, soil, and air. Future generations will be presented with the bill for this, not only in the form of high control costs but also in the form of a poor living and production environment with all the economic consequences that entail. Thus, a serious disruption of the economic system can be foreseen if far-reaching environmental measures are not taken immediately. Also, the risks to public health will bring costs whose magnitude cannot be overseen. It is our collective responsibility to take long-term consequences into account when formulating environmental policy for the coming years.
The environment has no price and is an open-access good, which is therefore used by everyone. As a result, a clean environment is becoming increasingly scarce. This requires active intervention by the government. The application of financial instruments, for example in the form of levies (possibly in combination with subsidies), can be a very effective instrument for counteracting environmental degradation. As a supplement to regulation and standards, financial instruments are a support for policy, especially because they form an incentive for the polluter to continue searching for new techniques with a higher purification efficiency. Moreover, one must realize that, certainly in the long term, the costs for the restoration of environmental damage will be many times higher than the costs that must now be incurred to prevent that environmental damage. Postponing or weakening environmental measures with a view to the budget deficit or the collective tax burden will result in the budget deficit having to increase drastically in the future or the collective burdens having to rise sharply as a result of necessary and costly restoration measures.
Another aspect to which we wish to draw Your attention in this context concerns the consequences of environmental policy for the business community. A frequently heard argument for a moderate environmental policy is the international competitive position of companies. The Netherlands supposedly could not afford a pioneering position in the environmental field. We recognize the need for coordinated international cooperation. However, this does not mean that there would be no room for national policy. It is very possible that for certain economic sectors in the longer term, the perceived competitive disadvantage will turn into a competitive advantage compared to countries that only transition to a stringent environmental policy at a later stage. The export of environmentally friendly technology applied in the Netherlands then offers new economic perspectives and opportunities for employment. At the same time, the question arises whether the cost argument is indeed the most important for companies, for example when choosing a location. There are indications that uncertainty and confusing or contradictory reporting about the environmental policy to be pursued are much more decisive in nature than the costs a company must incur as a result of a clear and explicitly formulated environmental policy. Numerous examples can be given of companies at home and abroad that have achieved significant economic returns by taking environmentally friendly measures. 'Pollution prevention pays' is therefore not only theory, but indeed also practice.
It is essential that clarity is now provided regarding the long-term environmental boundary conditions, so that companies can respond to this with the help of process-integrated environmentally friendly technology, instead of being repeatedly confronted with short-term surprises to which they must react with costly ad-hoc measures. Clarity about long-term environmental policy is a condition for a harmonious development of economy and ecology.
In summary, it is therefore also of the greatest importance from an economic point of view that a National Environmental Policy Plan appears soon, in which the environmental policy for the longer term is clearly indicated. In this regard, our collective responsibility towards future generations must come first, and short-term objectives regarding the budget deficit, collective tax burden, and increase in purchasing power must come second.
With due respect,
On behalf of the (environmental) economists listed in the appendix.
Prof.dr. J.B. Opschoor Prof.dr. J. Tinbergen
c.c. - the Minister of the Interior
- the Minister of Foreign Affairs
- the Minister of Economic Affairs
- the Minister of Finance
- the Minister of Justice
- the Minister of Agriculture and Fisheries
- the Minister of Social Affairs and Employment
- the Minister of Transport and Water Management
- the Minister of Housing, Spatial Planning and the Environment
- the Minister of Welfare, Health and Culture
Appendix
LIST OF SIGNATORIES
Drs. P.J.A. Baan
Drs. A.J. de Boo
Drs. T.H. Botterweg
Drs. F.J. Dietz
Drs. P. van Driel
Dr. P.E. Metz
Prof.dr. A. Nentjes
Drs. M.P. van Nugteren
Drs. E. Nijenhuis
Prof.dr. P. Nijkamp
Drs. F.A.M. Eppink
Prof.dr.mr. B. de Gaay Fortman
Drs. O.J. van Gerwen
Drs. B.F.J. Grimberg
Dr. W.A. Hafkamp
Drs. F.H. Oosterhuis
Ir. P.J.M. Oosterveer
Drs. F. van Oostvoorn
Prof.dr. J.B. Opschoor
Dr.ir. A.J. Oskam
Prof.dr. A. Heertje
Drs. W.J.M. Heijman
Drs. R. Hoevenagel
Ir. N.J.P. Hoogervorst
Dr. R. Hueting
Prof.dr. J. Pen
Drs. J.W. Schot
Drs. H.W. Sips
Drs. F.J. Soeteman
Drs. F.W. Steenhuisen
Drs. G. Huppes
Drs. E.C. van Ierland
Drs. R. Janssen
Drs. J. Jantzen
Drs. G. Klaassen
Drs. J. van der Straaten
Ir.drs. P.J. Tack
Drs. G.F. Tamminga
Drs. G.J. Thijssen
Prof.dr. J. Tinbergen
Drs. J. Krozer
Ir. O.J. Kuik
Drs. A.P.M. Laan
Drs. F. van Leersum
Drs. G.J. van der Meer
Drs. H.R.J. Vollebergh
Drs.ing. J.B. Vos
Drs. K.F. van der Woerd
Drs. D. Wiersma
Dr. Th. Zuidema
-
annexCount
-
1