-
Title
-
Letter to D. Zijlstra
-
Description
-
Annex: manuscript of an article for Parool newspaper titled 'Komt er een depressie in de Verenigde Staten?'.
-
Date
-
1953
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR01_019O003
-
4139
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM4139_NL-RtEUR_TBCOR01_019O003.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
Komt er een depressie in de Verenigde Staten ?
Een goede conjunctuurpolitiek belangrijker dan een goede voorspelling
Sedert een eeuw hebben schommelingen in de economische toestand, die vooral na 1800 zijn waargenomen, de aandacht van de economen gehad. Met een zekere regelmaat hebben goede en slechte tijden elkaar afgewisseld, welk verschijnsel men met de naam conjunctuurbeweging is gaan aanduiden. Vele theorieën zijn opgesteld ter verklaring van dit op- en neergaan; sommige onderzoekers vestigden de aandacht op factoren van buiten het economische leven komend, zoals oogsten en technische vernieuwingen, terwijl andere eerder hun aandacht schonken aan factoren in het economisch leven zelf, zoals de levensduur van machines en de vertragingen in het vormen en uitgeven van de inkomens. Degenen, die menen dat zij de oorzaken gevonden hadden, hebben somtijds ook betoogd op grond daarvan nu te kunnen voorspellen hoe de conjunctuur zich in de toekomst zou ontwikkelen. Sommige voorspellers hebben alleen getracht iets te zeggen omtrent het ogenblik waarop een omkeer zou intreden, andere zijn verder gegaan en hebben ook omtrent de diepte van de eventuele inzinking een mening gegeven.
Nadat eenmaal het gevoel van een zekere regelmaat zich van een aantal onderzoekers had meester gemaakt, dreigde het gevaar dat deze regelmaat werd overdreven, hetgeen tot uitdrukking kwam in het gebruik van woorden als "economische golfbeweging", economische "kringloop" of "cyclus". Wil men reëel blijven, dan moet men zich steeds voor ogen houden, dat de meeste grafische voorstellingen van het conjunctuurverloop niet meer regelmaat vertonen dan de lijn van de duintoppen, die ons van de zee scheiden. Een lijn, die niet tot in de hemel kan stijgen of eindeloos kan dalen en bovendien enigermate van toevallige factoren afhankelijk is, zal altijd op- en neergaande stukken vertonen. Men zal steeds dienen te beseffen, dat ieder der onderzoekers, die zich tot nu toe met het verschijnsel heeft bezig gehouden, een stuk van de waarheid op het spoor is gekomen. Dat betekent met name, dat de bewegingen van het economische leven gedeeltelijk van toevallige aard zijn en gedeeltelijk van systematische. Voorspellen is daardoor slechts ten dele mogelijk, nl. voor de systematische bewegingen. Niet alleen dat toevallige factoren dan voortdurend tussenbeide komen en voorspellingen bemoeilijken: bovendien zijn de statistische gegevens omtrent de systematische factoren ten dele ook nog zeer gebrekkig. Dit geldt met name voor cijfers over de leeftijd van de in gebruik zijnde kapitaalgoederen, die volgens verschillende schrijvers van betekenis zijn voor de vraag naar investeringsgoederen.
De voorspelbaarheid der conjunctuurbeweging is dus niet al te groot. Wanneer iemand met een voorspelling gelijk heeft, bewijst dat bovendien niet dat zijn theorie juist is, want er is altijd een zekere kans dat men door toeval gelijk krijgt. Dit wil intussen niet zeggen, dat sommige van de meer succesvolle voorspellers niet over een diepgaand inzicht in het economische leven beschikken. Zonder twijfel hebben mannen als Wagemann indertijd in Duitsland, S. de Wolff in Nederland, Colin Clark in Engeland en Klein in de Verenigde Staten over een grote mate van inzicht beschikt, die het hun mogelijk maakte zekere uitspraken te doen. Het feit blijft echter dat telkens onverwachte nieuwe factoren zich voegen bij de systematische krachten uit het verleden en dat daarom het publiek nooit moet verwachten, dat de voorspellingen geheel bewaarheid zullen worden.
Deze wat lange inleiding was nodig om de lezer in de naar mijn mening juiste plooi te brengen voor het beoordelen van de vraag of er nu in de Verenigde Staten een depressie is te verwachten. Verschillende economen zijn die mening toegedaan. Onder de vaklieden, die een grote hoeveelheid studie in hun voorspellingen hebben kunnen steken, noem ik Colin Clark, die een ernstige depressie voorspelde en Lawrence R. Klein, die een milde depressie voorspelde. Het is onmogelijk om hierop te zeggen, dat zij voor 100% gelijk hebben of voor 100% ongelijk. Er is alleen maar een zekere kans dat zij gelijk hebben en gezien de prestaties van deze beide heren lijkt het mij, dat er inderdaad enige kans is dat het volgende jaar in de Verenigde Staten het economische leven zich op een iets lager peil zal bewegen dan in het afgelopen jaar - wanneer de Amerikaanse regering geen conjunctuurpolitiek zou voeren.
Meer meen ik dus dat er niet van te zeggen is. Natuurlijk kan men daarbij nog vragen, welke de onderdelen van het economische leven zijn waarvoor zij deze teruggang in het bijzonder verwachten. Aan de ene kant is het de (geringe) daling in de overheidsuitgaven, die een zekere invloed zal hebben, aan de andere kant is het met name de geringe neiging voorraden te vormen, die volgens Colin Clark een rol zal spelen. Doch ik wil daar thans niet verder op ingaan.
Het hoofdpunt blijft de onzekerheid in de voorspellingen. Men kan dit een onbevredigende stand vinden en de economische wetenschap verwijten maken dat zij niet beter kan voorspellen. Ik geloof niet dat dit gerechtvaardigd is, want er zijn ook met de beste wetenschappelijke methoden geen voorspellingen te maken van toevallige bewegingen. Het is echter in het onderhavige geval niet zo verbazend tragisch, want veel belangrijker dan de voorspelling is de vraag wat de regeringen zullen doen, indien er een depressie optreedt. In de eerste plaats is het daarbij natuurlijk van belang wat de Amerikaanse regering zal doen. Indien men voldoende zekerheid heeft dat de Amerikaanse regering bij het optreden van een eventuele depressie krachtige tegenmaatregelen zal nemen, dan is dat veel belangrijker dan de vraag wat er bij afwezigheid van dergelijke maatregelen zou gebeuren. Gelukkig is het besef toenemende, dat door ingrijpen van regeringszijde op het conjunctuurverloop invloed kan worden uitgeoefend en evenzeer toenemend is de bereidheid dit te doen. Prof. Arthur F. Burns, de tegenwoordige voorzitter van de Raad van Economische Adviseurs van de President van de Verenigde Staten, heeft zich tamelijk ondubbelzinnig uitgelaten over de voorbereidingen, die door zijn Raad worden getroffen. Zijn uitlatingen geven aanleiding tot meer optimisme dan de meeste economen toonden, toen ik hun kort tevoren de vraag voorlegde, wat zij dachten dat er zou gebeuren indien een depressie zou uitbreken. Vrijwel unaniem verwachtte men dat de tegenwoordige Amerikaanse regering op het gebied van belastingverlagingen vrij snel zou reageren (ten dele gaat het hier om reeds toegezegde verlagingen), doch men was sceptisch ten aanzien van de snelheid en intensiteit waarmee, indien nodig, de uitgaven wederom zouden worden verhoogd. De uitspraak van de heer Burns wekt de indruk, dat de regering ook bereid zal zijn van die laatste middelen gebruik te maken en dat aan de voorbereidselen nu reeds wordt gewerkt. Een en ander wil natuurlijk niet zeggen, dat er toch niet enige tijd kan verlopen, in het geval van een depressie, alvorens een voldoend tegenwicht wordt geleverd. Dit wil zeggen, dat het voor kleinere landen nuttig zal zijn indien men zekere reserves heeft voor de overbrugging van een periode van slapte, doch dat het weinig waarschijnlijk is, dat een diepe en langdurige depressie zonder tegenmaatregelen van de zijde van de Amerikaanse regering zal blijven.
Natuurlijk moet men t.a.v. conjunctuurpolitiek ook weer niet vervallen in het andere uiterste en menen dat elke nog zo geringe inzinking prompt en volkomen kan worden voorkomen; er zijn ook hierbij nog belangrijke vraagstukken op te lossen. Zolang men een in hoofdzaak vrije economie heeft, zal men afhankelijk blijven van zekere stemmingen en stemmingswisselingen bij een groot aantal consumenten en een kleiner, maar ook nog omvangrijk aantal ondernemingen, die hun uitgavenprogramma zelfstandig kunnen veranderen. De overheid zal altijd slechts met enige vertraging kunnen reageren, al is het bestaan van enige vertraging geen ernstig bezwaar. De verhoging van overheidsuitgaven en verlaging van belastingen in een depressie betekenen, dat er nieuw geld in circulatie gebracht moet worden; en daarbij moeten de monetaire autoriteiten niet slechts denken aan de eisen van het ogenblik, maar evenzeer aan die van de toekomst. Zij zullen moeten letten op de totale hoeveelheid geld, die zich in handen van het publiek bevindt, wetende dat als deze geldhoeveelheid belangrijk uitgaat boven de normale, een wijziging in de stemming van het publiek plotseling zou kunnen leiden tot grote uitgavenverhogingen. De monetaire autoriteiten zullen hun best doen deze gevaren van, zoals men zegt, potentiële toekomstige inflatie binnen zekere grenzen te houden en daarom soms terughoudend zijn in het al te gemakkelijk verlenen van krediet aan bedrijfsleven of regering.
Onoplosbaar zijn deze vraagstukken intussen niet; indien slechts voldoende wederzijds begrip bij regering, publiek en bankwezen bestaat en in geval van dreigende inflatie de bereidheid bestaat om in het algemeen belang de belasting te verhogen en de uitgaven te verlagen, zal men ook het potentiële inflatiegevaar minder ernstig behoeven aan te slaan. In het jaar 1951 was het Nederlandse volk bereid om dergelijke anti-inflatoire maatregelen te aanvaarden.
Om nog eens samen te vatten: alle economische voorspellingen, ook de beste, zijn met vrij grote onzekerheden behept. Belangrijker echter dan voorspellen is het aanvaarden van een juiste conjunctuurpolitiek. Daartoe is goed wederzijds begrip tussen regeringen, publiek en bankwezen noodzakelijk. De waarschijnlijkheid dat in de Verenigde Staten een actievere conjunctuurpolitiek gevoerd zal worden dan in de grote depressie van 1929 geeft tot gematigd optimisme aanleiding.
PROF. DR J. TINBERGEN
DEN HAAG, 28 December 1953
[Oude Scheveningseweg] 41
De Heer Mr D. Zijlstra,
Het Parool,
N.Z. Voorburgwal 225,
Amsterdam.
Zeer geachte Heer Zijlstra,
Ten vervolge op mijn brief van 23 December zend ik U bijgaand het door U gevraagde artikel in de hoop dat het aan Uw bedoeling beantwoordt. Mocht dit niet het geval zijn, dan moet U U geheel vrij voelen Uw wensen kenbaar te maken.
Hoogachtend,
-
en
Will there be a depression in the United States?
A good business cycle policy is more important than a good forecast
For a century, fluctuations in the economic situation, which have been observed especially after 1800, have had the attention of economists. With a certain regularity, good and bad times have alternated, a phenomenon that has come to be known as the business cycle movement. Many theories have been formulated to explain this rise and fall; some researchers focused attention on factors coming from outside economic life, such as harvests and technical innovations, while others rather gave their attention to factors within economic life itself, such as the lifespan of machines and the delays in the formation and spending of incomes. Those who believe they have found the causes have sometimes also argued on that basis that they can now predict how the business cycle will develop in the future. Some forecasters have only tried to say something about the moment when a reversal would occur, others have gone further and have also given an opinion about the depth of the possible slump.
Once the feeling of a certain regularity had taken hold of a number of researchers, the danger threatened that this regularity was exaggerated, which was expressed in the use of words like "economic wave movement", economic "cycle" or "cycle". If one wants to remain realistic, one must always keep in mind that most graphic representations of the business cycle show no more regularity than the line of the dune tops that separate us from the sea. A line that cannot rise to heaven or fall endlessly and is moreover somewhat dependent on accidental factors will always show rising and falling parts. One will always have to realize that each of the researchers who have dealt with the phenomenon so far has come across a piece of the truth. This means in particular that the movements of economic life are partly of an accidental nature and partly of a systematic nature. Forecasting is therefore only partially possible, namely for the systematic movements. Not only do accidental factors then constantly intervene and complicate forecasts: moreover, the statistical data regarding the systematic factors are also still very deficient in part. This applies in particular to figures on the age of the capital goods in use, which according to various authors are significant for the demand for investment goods.
The predictability of the business cycle movement is therefore not too great. When someone is right with a forecast, it does not prove that his theory is correct, because there is always a certain chance that one is right by chance. This does not mean, however, that some of the more successful forecasters do not possess a profound insight into economic life. Without doubt, men like Wagemann in Germany at the time, S. de Wolff in the Netherlands, Colin Clark in England, and Klein in the United States possessed a great deal of insight that enabled them to make certain statements. The fact remains, however, that unexpected new factors are constantly added to the systematic forces from the past and that therefore the public should never expect that the forecasts will be fully realized.
This somewhat long introduction was necessary to put the reader in the right frame of mind, in my opinion, for judging the question of whether a depression is to be expected in the United States now. Various economists are of that opinion. Among the professionals who have been able to put a great deal of study into their forecasts, I mention Colin Clark, who predicted a serious depression, and Lawrence R. Klein, who predicted a mild depression. It is impossible to say about this that they are 100% right or 100% wrong. There is only a certain chance that they are right, and given the performance of both these gentlemen, it seems to me that there is indeed some chance that next year in the United States economic life will move at a slightly lower level than in the past year - if the American government were not to conduct a business cycle policy.
I believe that no more can be said than that. Of course, one can also ask which parts of economic life they expect this decline for in particular. On the one hand, it is the (slight) decrease in government spending that will have a certain influence; on the other hand, it is in particular the low tendency to form stocks, which according to Colin Clark will play a role. But I do not wish to go further into that now.
The main point remains the uncertainty in the forecasts. One can find this an unsatisfactory state of affairs and blame economic science for not being able to predict better. I do not believe this is justified, because even with the best scientific methods, no forecasts can be made of accidental movements. However, in the present case, it is not so surprisingly tragic, because much more important than the forecast is the question of what the governments will do if a depression occurs. In the first place, it is of course important what the American government will do. If one has sufficient certainty that the American government will take powerful countermeasures in the event of a possible depression, then that is much more important than the question of what would happen in the absence of such measures. Fortunately, the realization is growing that influence can be exerted on the business cycle through government intervention, and the willingness to do so is also increasing. Prof. Arthur F. Burns, the current chairman of the Council of Economic Advisers to the President of the United States, has expressed himself fairly unambiguously about the preparations being made by his Council. His statements give cause for more optimism than most economists showed when I put the question to them shortly before, what they thought would happen if a depression were to break out. Almost unanimously, it was expected that the current American government would react fairly quickly in the area of tax cuts (partly this concerns cuts already promised), but people were skeptical about the speed and intensity with which, if necessary, spending would be increased again. Mr. Burns' statement gives the impression that the government will also be prepared to use those last means and that the preparations are already being worked on. All this does not mean, of course, that some time cannot pass, in the case of a depression, before a sufficient counterweight is provided. This means that it will be useful for smaller countries if they have certain reserves for bridging a period of slackness, but that it is unlikely that a deep and long-lasting depression will remain without countermeasures from the side of the American government.
Of course, one must not fall into the other extreme regarding business cycle policy and think that every slump, however small, can be promptly and completely prevented; there are still important issues to be solved here as well. As long as one has a mainly free economy, one will remain dependent on certain moods and mood swings among a large number of consumers and a smaller but still substantial number of enterprises that can independently change their spending programs. The government will always only be able to react with some delay, although the existence of some delay is not a serious objection. The increase in government spending and reduction of taxes in a depression mean that new money must be brought into circulation; and in doing so, the monetary authorities must not only think of the requirements of the moment but equally of those of the future. They will have to pay attention to the total amount of money in the hands of the public, knowing that if this amount of money significantly exceeds the normal, a change in the public's mood could suddenly lead to large increases in spending. The monetary authorities will do their best to keep these dangers of, as they say, potential future inflation within certain limits and therefore sometimes be cautious in granting credit too easily to business or government.
These problems are not insoluble, however; if only there is sufficient mutual understanding between government, public, and banking, and if in the case of threatening inflation there is a willingness to increase taxes and decrease spending in the general interest, one will also need to take the potential danger of inflation less seriously. In the year 1951, the Dutch people were prepared to accept such anti-inflationary measures.
To summarize once more: all economic forecasts, even the best, are subject to fairly large uncertainties. More important than forecasting, however, is the acceptance of a correct business cycle policy. For this, good mutual understanding between governments, public, and banking is necessary. The probability that a more active business cycle policy will be pursued in the United States than in the Great Depression of 1929 gives cause for moderate optimism.
PROF. DR J. TINBERGEN
THE HAGUE, 28 December 1953
[Oude Scheveningseweg] 41
Mr. D. Zijlstra,
Het Parool,
N.Z. Voorburgwal 225,
Amsterdam.
Dear Mr. Zijlstra,
Following my letter of December 23, I am sending you the requested article herewith in the hope that it meets your intention. Should this not be the case, please feel free to make your wishes known.
Sincerely,
-
annexCount
-
1