-
Title
-
Letter to Ministerie van Financiën
-
Description
-
Annex: newspaper clippings.
-
Date
-
1954
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR01_021C011
-
7787
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM7787_NL-RtEUR_TBCOR01_021C011.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
Plessner over Duits-Nederlandse betrekkingen
Einde van de Duits-Nederlandse journalisten-conferentie
AKEN, Zaterdagavond. Prof. B. Plessner, hoogleraar te Göttingen, die in Nederland geen onbekende is (hij heeft voor de oorlog vele jaren te Groningen gedoceerd) heeft aan de driedaagse Duits-Nederlandse journalistenconferentie een bijzondere betekenis geschonken door een indrukwekkende rede over „Pogingen ten gunste van de toenadering tussen Nederlanders en Duitsers". Spreker meende, dat uit het herstel der betrekkingen tussen Nederland en Duitsland, zoals zich dit thans openbaart, geen overhaaste conclusies dienen te worden getrokken. Daar de Duitsers de eigen aard der Nederlanders nauwelijks kennen, zijn zij snel bereid de innerlijke afstand, welke hen van de Nederlanders scheidt, te bagatelliseren. Nog te vaak beschouwen zij de Nederlanders als een Nederduitse stam, welke vermoedelijk bij Duitsland zou behoren, indien hij niet zijn eigen historische weg zou zijn gegaan. Hij deed zulks sedert het einde der Middeleeuwen met toenemende zelfbewustheid en daaraan heeft de Nederlander zijn nationale zelfstandigheid te danken.
Sedert de tweede helft van de XIXe eeuw groeide in Nederland, onder de invloed van de Duitse muziek, wetenschappen en techniek, de zorg om de eigen neutraliteit tegenover de nieuwe macht aan zijn oostelijke grens. Onvermijdelijk moest zulks leiden tot een oriëntering naar het Westen. De eerste wereldoorlog heeft in Nederland de antipathie tegen het nieuwe Duitsland nog versterkt en in 1940 bleek maar al te goed, dat de bezorgdheid van Nederland redelijk was geweest. De kloof zal nu, ondanks alle normalisering der betrekkingen aan de oppervlakte, niet gemakkelijk zijn te overbruggen. Het zal beter worden na het verdwijnen van de generatie, welke 1940-45 heeft beleefd, maar de vervreemding tussen de beide volken zal nauwelijks vervagen zolang de Duitsers zich niet de moeite geven de Nederlandse aard beter te verstaan en de illusie van de familiariteit, welke door de stamverwantschap wordt gesuggereerd, maar de Nederlanders steeds tot een defensieve houding beweegt, definitief te doen wijken voor het erkennen van de eigen aard der Nederlanders. Overigens heeft de zwakkere er een bijzonder recht op door de sterkere te worden gerespecteerd. De eerbied voor zijn eigen aard is wel het minste, dat hij kan verwachten.
Prof. Plessner heeft uitvoerig geschetst hoe deze eigen aard tot stand gekomen en zich in de loop der tijden heeft ontwikkeld, hoe de Nederlanders zijn voor vrijheid en recht wisten te verbinden aan de zin voor het huiselijke en een afkeer voor al het mateloze. De kracht van het nationale zelfbewustzijn van de Nederlander spruit niet voort uit zijn afkomst, maar uit hetgeen hij heeft gepresteerd. Zijn rol als vroege pionier in de ontwikkeling van het kapitalisme, in de religieuze, filosofische, juridische, artistieke en politieke cultuur, zijn strijd voor vrijheid en verdraagzaamheid hebben het beeld van Nederland ook voor zijn eigen bewustzijn vastgelegd.
Hoe moeilijk moest het voor de Nederlander zijn de „Duitse" geest te begrijpen, welke eerst in het midden van de XVIIIe eeuw met Lessing, Herder, Kant, Schiller, Goethe en Hegel in zijn intellectuele gezichtsveld verscheen. Slechts aarzelend maakte hij zich vertrouwd met een taal, welke tot dusverre niet als intellectuele taal had gegolden en welke juist door haar affiniteit met het eigen idioom op verzet stiet. Schiller is eerst door Franse vertalingen in Nederland bekend geworden. De bereidwilligheid Duitse gedachten op te nemen was in die jaren in Nederland geringer dan in welk ander land. Zijn eigen historische bewustzijn, zijn humanisme en zijn confessionalisme maakten Nederland meer nog dan Frankrijk en Engeland tot vertegenwoordiger van een culturele stroming, welke in haar wezen vreemd tegenover de Duitse cultuur stond. Deze houding werkt ook thans in het algemeen nog na in Nederland. Hoe meer Duitsland de afstand beseft welke Nederland van zijn intellectuele denken gescheiden houdt, des te eerder zal een nieuwe toenadering van duurzame aard tot Nederland mogelijk worden.
Prof. Plessner heeft ten slotte zijn eigen landgenoten hun vaak opmerkelijk gebrek aan humor voor ogen gehouden en hun uiteengezet waarom in Nederland de betrekkingen tussen Joodse en andere staatsburgers zo goed zijn: zowel de niet-Joodse als de Joodse Nederlanders zijn in hun diepste wezen religieus en hebben de zelfironie gemeen. Elke Nederlander waardeert de stempel, welke de Joden op Amsterdam hebben gedrukt.
De heer A. Moser, leider van het bureau voor buitenlandse politiek van de P.v.d.A., heeft ten slotte een uitstekende schets gegeven van de betrekkingen tussen beide landen na 1945, jaar, waarin van Nederlandse zijde nog niet het minste verlangen naar overleg met de gewezen bezetters bestond. In 1948 was de tijd der na-oorlogse ressentimenten al voorbij en zulks geenszins uit overwegingen van economische aard: deze speelden toen nog geen rol. Spreker heeft hierbij ook de kwestie der grenscorrecties ter sprake gebracht en er hierbij aan herinnerd, dat in de Nederlandse Tweede Kamer de meerderheid voor de desbetreffende wet, waar men eigenlijk niet veel voor voelde, is gevonden door de schuld van de Duitsers zelf, die in hun bladen vette koppen als „Nederland stoort de goede betrekkingen met zijn Duitse buren" publiceerden. In de Eerste Kamer is alleen een meerderheid tot stand gekomen omdat het in die dagen, wegens de moeilijkheden met Indonesië dringend gewenst was een regeringscrisis te voorkomen.
De heer Moser heeft o.m. ook de Nederlandse houding t.a.v. de Europese Defensiegemeenschap toegelicht en er ten slotte, in een pleidooi voor samenwerking der Westeuropese landen, aan herinnerd, dat Duitsland, als alle andere deelnemers bereid zal moeten zijn, afstand te doen van een deel van zijn souvereiniteit.
Een plechtige bijeenkomst in het Neue Kurhaus was het laatste punt van de lange agenda. Hier hebben achtereenvolgens nog dr. Velz, voorzitter der Duits-Nederlandse Arbeidsgemeenschap, die de conferentie voortreffelijk had georganiseerd en geleid, prof. Plessner, de heer A. Moser, prof. dr. Smolka uit Spiers, en Oberbürgermeister Heusch de beraadslagingen der conferentie samengevat en er, naast hartelijke woorden voor alle medewerkers, ook woorden van vertrouwen in de toekomst aan verbonden. Het Ringelberg-Quartett, dat de bijeenkomst had opgeluisterd, heeft haar gesloten met het Wilhelmus en het Deutschlandlied.
Verlaging der overheidsuitgaven verhoogt productiviteit
Prof. Grant Colin Clark: Het defaitistisch standpunt der socialisten
De Engelse econoom C. Clark, die de laatste tijd veel van zich heeft doen spreken door zijn beschouwingen over de economische perspectieven in Amerika, en thans voor het houden van een serie lezingen in Nederland vertoeft, heeft een brochure gepubliceerd (1), welke evenals zijn opinie over Amerikaanse economische toestanden, ongetwijfeld in brede kringen sterk in de belangstelling zal komen. Het vraagstuk van het verband tussen welvaart en belastingen is niet nieuw, integendeel een boekenkast zou te vullen zijn met de werken handelend over dit vraagstuk. De wijze echter waarop Clark het complex van problemen, dat met de belastingheffing in de moderne maatschappij samenhangt, aanpakt, is interessant, omdat hierbij gebroken wordt met een mentaliteit, die onbewust in steeds sterkere mate tegenwoordig van vele geesten bezit heeft genomen. Wij doelen hier op een zeker fatalisme ten opzichte van de mogelijkheden om het peil der overheidsuitgaven binnen redelijke grenzen te houden.
Deze geest van fatalisme ontmoet men in het bijzonder aan in socialistische kringen, waar de dogmatiek in de visie over de belastingen en de druk welke deze op de volkshuishouding uitoefenen schuil gaat in speculaties over het deterministisch karakter van de maatschappelijke ontwikkeling. Nog onlangs heeft de heer H. J. Hofstra, belastingexpert van de Partij van de Arbeid in een praeadvies voor de Vereniging voor de Staathuishoudkunde dit defaitisme geformuleerd: „Zullen we de verzenen tegen de prikkels slaan en ons verzetten tegen het onvermijdelijke....?"
Zoals met zovele uitspraken over menselijke verhoudingen is er ook in deze opvatting, dat het maatschappelijk proces een dwingend karakter draagt, een kern van waarheid. Vergeten wordt echter, dat het de ideeën over de maatschappij zelf zijn, die mede de maatschappelijke ontwikkeling bepalen. Juist door deze fatalistische mentaliteit te propageren, krijgen de socialistische ideeën over het maatschappelijk bestel meer kans van slagen.
In dit licht moet de brochure van Clark bezien worden, omdat hij op wetenschappelijke wijze onderzoekt in hoeverre de mogelijkheid bestaat om tot een verlaging van de staatsuitgaven te komen.
Clark komt tot de conclusie, dat de belastingen in een vrije economie niet boven 25 pct. van het nationale inkomen dienen te liggen, wil men geen schade aan het algemeen welzijn toe brengen. Dit cijfer is gebaseerd op de ervaringen opgedaan in een aantal landen en wordt door Clark verdedigd, niet zoals gewoonlijk wordt gedaan met gevoelsargumenten, maar met feiten aan de economische realiteit ontleend. Het staat z.i. onomstotelijk vast dat indien de belastingen de gestelde grens overschrijden — en in Engeland wordt 40 pct. van het Nationale inkomen door de belastingen opgeëist! — na 2 of 3 jaar inflatie zal volgen.
Deze prijsstijging is een gevolg van verminderde productie en verkwisting, allereerst omdat de hoge belastingen de neiging tot persoonlijke initiatief, productiviteit en arbeidlust verlammen. Ten tweede wordt de inflatie in de hand gewerkt, doordat de wetgevende autoriteit meer heil ziet in inflatoire financiering van overheidsuitgaven, dan in nog verdere verzwaring der belastingen, die reeds tot een „excessive burden" zijn gestegen. Reeds nu is er volgens Clark voor Engeland een productieverlies van 10 pct. als gevolg van de hoge belastingen, welke de bevolking aldaar de laatste jaren moest opbrengen. Zijn vraag is dan ook hoe de belastingdruk in Engeland te verminderen valt.
Een groot deel van de staatsuitgaven zoals kosten van defensie, interest op de staatsschuld, oorlogsschade en kosten van bestuursorganen is niet voor verlaging vatbaar.
Anders ligt echter z.i. de situatie bij de groep sociale diensten. Aan de hand van uitvoerige gegevens toont de Engelse geleerde aan, dat de Engelse arbeider meer betaalt aan belastingen dan hij aan uitkeringen aan sociale zorg ontvangt. De wijze waarop thans via belastingen de sociale zorg wordt uitgeoefend is zeer inefficiënt en verkwistend. De sociale diensten zouden met hetzelfde effect de helft goedkoper kunnen worden verleend. Om hierin verbetering te brengen komt Clark met het revolutionnaire voorstel om het merendeel der sociale verzekeringen en subsidies op woningen e.d. af te schaffen, teneinde de mensen in de gelegenheid te stellen op vrijwillige basis tot verzekering tegen die evenementen over te gaan, waarvoor het individu alleen geen risico kan lopen.
De verzekering op vrijwillige basis en de verhoging van de prijzen van verschillende levensmiddelen zal het arbeidersgezin ongeveer evenveel kosten als de verlaging van de belastingdruk. Clark wenst de indirecte z.g. kostprijsverhogende belastingen radicaal af te schaffen. Indirecte belastingen noemt hij de meest a-sociale die er bestaan omdat zij vooral het grote gezin treffen. Door bij het heffen van de belastingen rekening te houden met de grootte van het gezin zouden z.i. zelfs de kinderbijslagen kunnen verdwijnen.
Vanzelfsprekend zal — hierop wijst Clark uitdrukkelijk — de wijze waarop de sociale verzekering-, ouderdoms-, werkloosheids-, ziekte- en ongevallenverzekering wordt georganiseerd, zodanig moeten zijn, dat het bureaucratische element zoveel mogelijk wordt vermeden. Het zal geen verbazing wekken te vernemen, dat Clark hiertoe de vrije organisaties in het bedrijfsleven wil inschakelen.
Ongetwijfeld zal het voor degenen die in Nederland de verantwoording dragen voor het belastingbeleid en defaitistisch het hoge peil van de overheidsuitgaven als een niet te wijzigen uitgangspunt nemen, daarbij verwijzend naar het belastingstelsel van Engeland, leerzaam zijn kennis te nemen van prof. Clark's betoog. De massaficatie, ontstaan door de technische arbeidsverdeling en de moderne grote stadsbewoning wordt door een te hoog opgeschroefd en van boven opgelegd belastingsysteem nog verder in de hand gewerkt. De Westerse landen, waar in de toekomst volgens Clark slechts een geringe vergroting van het nationale inkomen verwacht kan worden (Voor Engeland berekent hij 1/2 pct. per jaar) zullen — willen zij niet steeds verder afdwalen op de weg der vervlakking — 't innerlijke weerstandsvermogen moeten versterken. Dat verdieping van het besef van persoonlijk verantwoordelijkheid op economisch terrein hiertoe een belangrijke bijdrage kan leveren, zal niet ontkend kunnen worden.
(1) Welfare and Taxation, door prof. C. Clark, verschenen in de brochurereeks van het Catholic Social Guild te Oxford.
Britse econoom Colin Clark: „Liever betere landbouw dan geboortebeperking"
(Van onze correspondent)
NIJMEGEN, 5 April — De Britse econoom Grant Colin Clark, die onlangs opschudding verwekte met zijn voorspelling van een crisis in Amerika, sprak Maandagavond te Nijmegen over het wereldbevolkingsprobleem. Meer dan 50 milliard mensen, aldus Colin Clark, kunnen op Europese wijze worden gevoed van de landbouwgebieden op de wereld, mits die gebieden goed worden bewerkt. Er is dus geen sprake van een uitputting van de wereldbronnen. Wel zal het een betrekkelijk grote inspanning vergen, wat velen doet zeggen dat het toch eenvoudiger is om tot geboortebeperking over te gaan. De Oxfordse hoogleraar wilde daarvan echter niet weten.
Grondbelasting 1953 in Elten ontmoet bezwaren
Er blijken bezwaren te zijn ingediend bij het Gelders provinciebestuur tegen de Grondbelasting 1953 in Elten. Gezegd wordt, dat ten behoeve van de Staat der Nederlanden geen grondbelasting kan worden geheven voor eigendommen, gelegen in het drostambt Elten. Ged. Staten zijn het hier niet mee eens en verwijzen naar de Grenscorrectiewet van 26 September 1951. Op grond hiervan is bepaald, dat in de bij het Rijk gevoegde gebieden, waartoe het drostambt Elten behoort, met ingang van het jaar 1952 de Grondbelasting wordt geheven als waren de aldaar gelegen gebouwde en ongebouwde eigendommen bij de aanvang van dat jaar ontstaan.
Wereld kan allen voeden
Colin Clark bracht het probleem van de wereldbevolking terug tot zijn juiste proportie. In millioenen uitgedrukt mag de bevolkingsgroei indrukwekkend zijn, de toeneming is toch niet meer dan één percent per jaar. Het is verder waar, dat vele landen stukken onvruchtbare grond hebben, maar het is even waar dat alle grond, vruchtbaar kan worden gemaakt.
Colin Clark, die reeds vaak de economische wereld verraste met een originele visie, hanteerde ter bepaling van de agrarische mogelijkheden een minimum standaard voor levensonderhoud. Op deze basis voedt een Chinese boer 4 personen, een Nederlandse 110. Hij wordt daarin slechts overtroffen door Denen en Noren.
In Nederland zouden dus 55 millioen mensen op deze standaard kunnen leven van de opbrengst van de grond. Hun levensstandaard is dus vijf keer hoger dan de minimum-standaard. Voor Europa vier keer hoger. Op dit hoge Europese peil kunnen de agrarische wereldbronnen twintig milliard mensen voeden.
Van één ding was de Oxfordse hoogleraar niet zeker. Of namelijk in de toekomst voldoende jongemannen in het boerenbedrijf zullen blijven om ook inderdaad die grote mogelijkheden aan de grond te onttrekken. VOLKSKR.
Introductie certificaten van aandelen Mannesmann
Opvolgster Mij v. Mannesmannrohren-Werke
Vanaf Maandag 12 April 1954 zal de fa Kol & Co ter beurze van Amsterdam doen verhandelen certificaten aan toonder van elk nominaal DM 900, van aandelen in de Mannesmann Aktiengesellschaft, waarvan de onderliggende waarden zijn gedeponeerd in Dusseldorf en welke certificaten zullen worden uitgegeven door de N.V. Hollandsch Administratiekantoor voor Duitse en andere Waarden, opgericht door Kol & Co, E. van Meer's Effectenkantoor, Jonas & Kruseman en Jarman & Zoonen te Amsterdam.
De eerste koers zal gebaseerd zijn op de koers te Dusseldorf van 7 April, vermeerderd met kosten voor Nederlands effectenzegel en aanmaakkosten der Nederlandse certificaten.
Bij het vaststellen van de koers zal rekening worden gehouden met de koers van „Erworbenes Sperrmark Guthaben". De koers van de aandelen Mannesmann Aktiengesellschaft bedroeg op 31 Maart te Dusseldorf 110 1/2 pct. Op deze basis zou de koers te Amsterdam voor de Nederlandse certificaten ca 108 1/4 pct bedragen.
De Mannesmann Aktiengesellschaft — in wezen een holding mij — is opgericht op 8 April 1952 als een van de drie opvolgster-mij-en van de Mannesmannröhren-Werke in liquidatie te Dusseldorf. De twee andere opvolgster-mij-en zijn de Consolidation Bergbau-Aktiengesellschaft te Gelsenkirchen en de Stahlindustrie und Maschinenbau Aktiengesellschaft te Dusseldorf.
Het huidige kapitaal van Mannesmann Aktiengesellschaft bedraagt DM 1.800.000 in aandelen van DM 100, DM 58.500.000 in aandelen van DM 900 en DM 180.000.000 in aandelen van DM 4500, tezamen DM 240.300.000.
De maatschappij houdt zich bezig met het winnen van steenkool alsmede verdere bewerking van de producten der mijnen, alsmede met de handel in de verkregen producten en met het produceren en verwerken van ijzer en staal. Volgens de geconsolideerde verlies- en winstrekening per 30 September 1952 beliep de brutowinst DM 338.441.379 en de nettowinst DM 10.582.098, waaruit een dividend van 4 pct werd uitgekeerd.
In een werknemersvergadering werd onlangs naar voren gebracht, dat de gang van zaken alleszins gunstig was en dat een dividend van 6 pct (of 7 1/2 pct over het overgelopen boekjaar van 15 maanden) in de lijn van de verwachtingen ligt.
Afgifte schatkistpapier
Hervatting per 15 April
Het Agentschap van het Ministerie van Financiën te Amsterdam deelt mede, dat het in het voornemen ligt, met ingang van 15 April a.s. de afgifte van schatkistpapier te hervatten. Omtrent de wijze van afgifte zullen nadere mededelingen volgen.
Het moet een juiste politiek worden geacht om dit voornemen reeds vroegtijdig bekend te maken. De geldmarkt is niet gebaat met plotselinge verschuivingen. Men heeft in geldmarktkringen nu enige tijd om zich voor te bereiden.
Het bericht van de Agent komt overigens niet onverwacht. Reeds eerder hebben wij het vermoeden uitgesproken, dat in April weer tot de afgifte van schatkistpapier zou worden overgegaan. Uit de mededeling van de Agent zal men waarschijnlijk wel mogen begrijpen, dat De Nederlandsche Bank voorlopig nog geen gebruik zal maken van de mogelijkheden, die haar portefeuille schatkistpapier biedt. Het betreffende bedrag — f 516,3 millioen — blijft achter de hand om, als de omstandigheden op de markt dit wenselijk zouden maken, te interveniëren.
Met belangstelling mag men nu de nadere mededelingen van de Agent tegemoet zien. Zal het een geheel vrije afgifte worden, of zal men de houders van schatkistpapier in de gelegenheid stellen om vervallend papier te vervangen door nieuw papier? De nabije toekomst zal het leren, maar er lijkt aanleiding voor de verwachting, dat het accent op de tweede methode zal vallen.
Terug [unclear] Tin
96 D/T T/Vos 21 April 54
Zijne Excellentie de Minister van Financiën, Kneuterdijk 22, 's-Gravenhage
Ten vervolge op mijn brief van 10 April jl. kan ik U thans mededelen, dat ik kennis heb genomen van een reeks artikelen van Colin Clark, gepubliceerd in het blad "The Tablet". Hierin motiveert hij iets verder zijn stelling, dat in Engeland de belastingen te hoog zijn, door in het bijzonder te poneren dat de uitgaven voor sociale verzekeringen (die in Engeland voor een veel groter gedeelte over het algemene budget lopen dan bij ons) te hoog zijn. Dit schrijft hij toe aan onvoldoende efficiency van het verzekeringsapparaat.
Het tweede punt, dat bij Colin Clark een grote rol speelt, is de bekende kwestie dat een aantal bedrijfsuitgaven door hoge belastingen ook minder zorgvuldig op hun efficiency gecontroleerd worden.
De gehele teneur van de artikelen van Colin Clark is die van interessante en enigszins gedurfde suggesties, doch niet van diepgaand en onomstotelijk onderzoek. Daarom komt het mij niet noodzakelijk voor dat daartegenover stelling wordt genomen.
De Directeur, (J. Tinbergen)
-
en
Plessner on German-Dutch relations
End of the German-Dutch journalists' conference
AACHEN, Saturday evening. Prof. B. Plessner, professor at Göttingen, who is no stranger to the Netherlands (he taught in Groningen for many years before the war), gave special significance to the three-day German-Dutch journalists' conference with an impressive speech on "Attempts in favor of rapprochement between Dutch and Germans". The speaker believed that no hasty conclusions should be drawn from the restoration of relations between the Netherlands and Germany, as it is currently manifesting itself. Since Germans hardly know the specific nature of the Dutch, they are quick to downplay the inner distance that separates them from the Dutch. Too often they still regard the Dutch as a Low German tribe that would presumably belong to Germany if it had not gone its own historical way. It has done so since the end of the Middle Ages with increasing self-awareness, and the Dutchman owes his national independence to this.
Since the second half of the 19th century, under the influence of German music, science, and technology, concern for its own neutrality towards the new power on its eastern border grew in the Netherlands. Inevitably, this had to lead to an orientation towards the West. The First World War further strengthened the antipathy towards the new Germany in the Netherlands, and in 1940 it became all too clear that the concern of the Netherlands had been reasonable. The gap will now, despite all normalization of relations on the surface, not be easy to bridge. It will get better after the disappearance of the generation that experienced 1940-45, but the alienation between the two peoples will hardly fade as long as the Germans do not make the effort to better understand the Dutch nature and to let the illusion of familiarity, suggested by tribal kinship but which always moves the Dutch to a defensive attitude, definitively give way to the recognition of the specific nature of the Dutch. Moreover, the weaker party has a special right to be respected by the stronger. Respect for its own nature is the least it can expect.
Prof. Plessner outlined in detail how this specific nature came into being and developed over time, how the Dutch knew how to combine freedom and justice with a sense for the domestic and a dislike for everything immoderate. The strength of the national self-awareness of the Dutchman does not stem from his descent, but from what he has achieved. His role as an early pioneer in the development of capitalism, in religious, philosophical, legal, artistic, and political culture, his struggle for freedom and tolerance have fixed the image of the Netherlands also for his own consciousness.
How difficult it must have been for the Dutchman to understand the "German" spirit, which only appeared in his intellectual field of vision in the middle of the 18th century with Lessing, Herder, Kant, Schiller, Goethe, and Hegel. Only hesitantly did he familiarize himself with a language that until then had not counted as an intellectual language and which met with resistance precisely because of its affinity with his own idiom. Schiller first became known in the Netherlands through French translations. The willingness to accept German thoughts was lower in the Netherlands in those years than in any other country. Its own historical consciousness, its humanism, and its confessionalism made the Netherlands, even more than France and England, a representative of a cultural current that was essentially foreign to German culture. This attitude generally still persists in the Netherlands today. The more Germany realizes the distance that keeps the Netherlands separated from its intellectual thinking, the sooner a new rapprochement of a lasting nature with the Netherlands will become possible.
Finally, Prof. Plessner held up to his own compatriots their often remarkable lack of humor and explained to them why relations between Jewish and other citizens are so good in the Netherlands: both non-Jewish and Jewish Dutch people are religious in their deepest essence and share self-irony. Every Dutchman appreciates the mark that the Jews have left on Amsterdam.
Mr. A. Moser, leader of the foreign policy bureau of the P.v.d.A., finally gave an excellent sketch of the relations between the two countries after 1945, a year in which there was not the slightest desire on the Dutch side for consultation with the former occupiers. By 1948, the time of post-war resentments was already over, and this was by no means for reasons of an economic nature: these did not yet play a role then. The speaker also brought up the issue of border corrections and reminded his audience that in the Dutch House of Representatives, the majority for the relevant law, which people didn't actually feel much for, was found due to the fault of the Germans themselves, who published bold headlines like "Netherlands disturbs good relations with its German neighbors" in their newspapers. In the Senate, a majority was only achieved because in those days, due to the difficulties with Indonesia, it was urgently desired to prevent a government crisis.
Mr. Moser also explained, among other things, the Dutch attitude towards the European Defense Community and finally, in a plea for cooperation between Western European countries, reminded his audience that Germany, like all other participants, will have to be prepared to relinquish part of its sovereignty.
A solemn meeting in the Neue Kurhaus was the last point on the long agenda. Here, in succession, Dr. Velz, chairman of the German-Dutch Working Community, who had excellently organized and led the conference, Prof. Plessner, Mr. A. Moser, Prof. Dr. Smolka from Speyer, and Lord Mayor Heusch summarized the deliberations of the conference and, in addition to warm words for all collaborators, also attached words of confidence in the future. The Ringelberg Quartet, which had graced the meeting, closed it with the Wilhelmus and the Deutschlandlied.
Lowering government spending increases productivity
Prof. Grant Colin Clark: The defeatist standpoint of the socialists
The English economist C. Clark, who has recently been much talked about for his views on economic prospects in America, and is currently in the Netherlands to give a series of lectures, has published a brochure (1) which, like his opinion on American economic conditions, will undoubtedly attract strong interest in broad circles. The question of the connection between prosperity and taxes is not new; on the contrary, a bookcase could be filled with works dealing with this issue. However, the way in which Clark tackles the complex of problems associated with taxation in modern society is interesting because it breaks with a mentality that has unconsciously taken possession of many minds to an ever-increasing extent. We are referring here to a certain fatalism regarding the possibilities of keeping the level of government spending within reasonable limits.
This spirit of fatalism is encountered particularly in socialist circles, where the dogmatism in the view of taxes and the pressure they exert on the national economy is hidden in speculations about the deterministic character of social development. Recently, Mr. H. J. Hofstra, tax expert of the Labour Party, formulated this defeatism in a preliminary report for the Association for Political Economy: "Shall we kick against the pricks and resist the inevitable...?"
As with so many statements about human relations, there is a kernel of truth in this view that the social process has a compelling character. However, it is forgotten that it is the ideas about society itself that help determine social development. Precisely by propagating this fatalistic mentality, socialist ideas about the social order have a better chance of success.
Clark's brochure must be seen in this light, because he investigates in a scientific manner to what extent the possibility exists to achieve a reduction in state spending.
Clark comes to the conclusion that taxes in a free economy should not exceed 25% of the national income if one does not want to cause damage to the general welfare. This figure is based on experiences gained in a number of countries and is defended by Clark, not as is usually done with emotional arguments, but with facts derived from economic reality. It is irrefutably established that if taxes exceed the set limit — and in England 40% of the national income is claimed by taxes! — inflation will follow after 2 or 3 years.
This price increase is a result of reduced production and waste, primarily because high taxes paralyze the tendency towards personal initiative, productivity, and the desire to work. Secondly, inflation is encouraged because the legislative authority sees more merit in inflationary financing of government spending than in further increasing taxes, which have already risen to an "excessive burden". According to Clark, there is already a production loss of 10% for England as a result of the high taxes that the population there has had to pay in recent years. His question is therefore how the tax burden in England can be reduced.
A large part of state spending, such as defense costs, interest on the national debt, war damage, and costs of administrative bodies, is not subject to reduction.
However, in his view, the situation is different for the group of social services. On the basis of extensive data, the English scholar shows that the English worker pays more in taxes than he receives in social care benefits. The way in which social care is currently provided via taxes is very inefficient and wasteful. Social services could be provided half as cheaply with the same effect. To bring about improvement in this, Clark comes with the revolutionary proposal to abolish most social insurance and subsidies on housing, etc., in order to enable people to switch to insurance on a voluntary basis against those events for which the individual alone cannot bear the risk.
Insurance on a voluntary basis and the increase in the prices of various foodstuffs will cost the working-class family about as much as the reduction of the tax burden. Clark wishes to radically abolish the indirect so-called cost-increasing taxes. He calls indirect taxes the most anti-social ones that exist because they particularly affect large families. By taking the size of the family into account when levying taxes, in his view even child benefits could disappear.
Naturally — Clark explicitly points this out — the way in which social insurance, old-age, unemployment, sickness, and accident insurance is organized must be such that the bureaucratic element is avoided as much as possible. It will come as no surprise to hear that Clark wants to involve free organizations in the business world for this purpose.
Undoubtedly, it will be instructive for those in the Netherlands who bear responsibility for tax policy and defeatistically take the high level of government spending as an unalterable starting point, referring to the tax system in England, to take note of Prof. Clark's argument. Massification, caused by the technical division of labor and modern large-city living, is further encouraged by a tax system that is cranked up too high and imposed from above. Western countries, where according to Clark only a small increase in national income can be expected in the future (for England he calculates 1/2% per year), will — if they do not want to drift further down the path of leveling — have to strengthen their inner resilience. It cannot be denied that deepening the sense of personal responsibility in the economic field can make an important contribution to this.
(1) Welfare and Taxation, by Prof. C. Clark, published in the brochure series of the Catholic Social Guild in Oxford.
British economist Colin Clark: "Better agriculture rather than birth control"
(From our correspondent)
NIJMEGEN, April 5 — The British economist Grant Colin Clark, who recently caused a stir with his prediction of a crisis in America, spoke in Nijmegen on Monday evening about the world population problem. More than 50 billion people, according to Colin Clark, can be fed in the European manner from the agricultural areas in the world, provided those areas are well cultivated. There is therefore no question of an exhaustion of world resources. It will, however, require a relatively large effort, which makes many say that it is simpler to switch to birth control. The Oxford professor, however, would have none of that.
1953 Land tax in Elten meets objections
It appears that objections have been submitted to the Gelderland provincial government against the 1953 Land Tax in Elten. It is said that no land tax can be levied on behalf of the State of the Netherlands for properties located in the administrative district of Elten. The Provincial Executive does not agree with this and refers to the Border Correction Act of September 26, 1951. On the basis of this, it is stipulated that in the areas added to the Kingdom, to which the administrative district of Elten belongs, the Land Tax will be levied starting from the year 1952 as if the built and unbuilt properties located there had come into existence at the beginning of that year.
World can feed everyone
Colin Clark brought the problem of world population back to its proper proportion. Expressed in millions, population growth may be impressive, but the increase is still no more than one percent per year. It is furthermore true that many countries have pieces of infertile land, but it is equally true that all land can be made fertile.
Colin Clark, who has often surprised the economic world with an original vision, used a minimum standard of living to determine agricultural possibilities. On this basis, a Chinese farmer feeds 4 people, a Dutch one 110. He is only surpassed in this by Danes and Norwegians.
In the Netherlands, 55 million people could therefore live at this standard from the yield of the land. Their standard of living is therefore five times higher than the minimum standard. For Europe, four times higher. At this high European level, the world's agricultural resources can feed twenty billion people.
The Oxford professor was not sure about one thing. Namely, whether in the future enough young men will remain in the farming business to actually extract those great possibilities from the land. VOLKSKR.
Introduction of certificates of shares Mannesmann
Successor Co. of Mannesmannrohren-Werke
From Monday, April 12, 1954, the firm Kol & Co will trade on the Amsterdam stock exchange bearer certificates of DM 900 nominal each, of shares in Mannesmann Aktiengesellschaft, the underlying values of which are deposited in Dusseldorf and which certificates will be issued by N.V. Hollandsch Administratiekantoor for German and other Values, founded by Kol & Co, E. van Meer's Effectenkantoor, Jonas & Kruseman, and Jarman & Zoonen in Amsterdam.
The first price will be based on the price in Dusseldorf on April 7, increased by costs for Dutch securities stamp duty and manufacturing costs of the Dutch certificates.
When determining the price, the price of "Erworbenes Sperrmark Guthaben" will be taken into account. The price of Mannesmann Aktiengesellschaft shares was 110 1/2% in Dusseldorf on March 31. On this basis, the price in Amsterdam for the Dutch certificates would be approximately 108 1/4%.
Mannesmann Aktiengesellschaft — essentially a holding company — was founded on April 8, 1952, as one of the three successor companies of Mannesmannröhren-Werke in liquidation in Dusseldorf. The two other successor companies are Consolidation Bergbau-Aktiengesellschaft in Gelsenkirchen and Stahlindustrie und Maschinenbau Aktiengesellschaft in Dusseldorf.
The current capital of Mannesmann Aktiengesellschaft amounts to DM 1,800,000 in shares of DM 100, DM 58,500,000 in shares of DM 900, and DM 180,000,000 in shares of DM 4500, totaling DM 240,300,000.
The company is engaged in the extraction of coal as well as further processing of the products of the mines, as well as in the trade of the products obtained and in the production and processing of iron and steel. According to the consolidated profit and loss account as of September 30, 1952, the gross profit amounted to DM 338,441,379 and the net profit to DM 10,582,098, from which a dividend of 4% was paid.
In a staff meeting, it was recently pointed out that the course of business was favorable in every respect and that a dividend of 6% (or 7 1/2% over the elapsed financial year of 15 months) is in line with expectations.
Issuance of treasury paper
Resumption as of April 15
The Agency of the Ministry of Finance in Amsterdam announces that it intends to resume the issuance of treasury paper starting from April 15 next. Further announcements regarding the method of issuance will follow.
It must be considered a correct policy to make this intention known early. The money market does not benefit from sudden shifts. People in money market circles now have some time to prepare.
The report from the Agent is, moreover, not unexpected. We have previously expressed the suspicion that the issuance of treasury paper would be resumed in April. From the Agent's announcement, it can probably be understood that De Nederlandsche Bank will for the time being not make use of the possibilities offered by its portfolio of treasury paper. The relevant amount — f 516.3 million — remains in reserve to intervene if market conditions should make this desirable.
The Agent's further announcements can now be awaited with interest. Will it be a completely free issuance, or will holders of treasury paper be given the opportunity to replace maturing paper with new paper? The near future will tell, but there seems to be reason to expect that the emphasis will fall on the second method.
Back [unclear] Tin
96 D/T T/Vos April 21, 54
His Excellency the Minister of Finance, Kneuterdijk 22, The Hague
Further to my letter of April 10 last, I can now inform you that I have taken note of a series of articles by Colin Clark, published in the magazine "The Tablet". In these, he further motivates his contention that taxes in England are too high, by specifically positing that expenditures for social insurance (which in England run through the general budget to a much greater extent than with us) are too high. He attributes this to insufficient efficiency of the insurance apparatus.
The second point that plays a major role for Colin Clark is the well-known issue that a number of business expenses are also less carefully checked for their efficiency due to high taxes.
The entire tenor of Colin Clark's articles is that of interesting and somewhat daring suggestions, but not of in-depth and irrefutable research. Therefore, it does not seem necessary to me that a position be taken against them.
The Director, (J. Tinbergen)" ,
-
annexCount
-
1