-
Title
-
Letter to D.J. Wansink
-
Date
-
1951
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR01_015W006
-
2864
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM2864_NL-RtEUR_TBCOR01_015W006.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
1
PROF. DR J. TINBERGEN DEN HAAG, 10 October 1951
Sijzenlaan 41
[y/5]
Aan de Heer D.J. Wansink,
Directeur van de
NEDERLANDSE SPOORWEGEN N.V.
UTRECHT.
Zeer geachte Heer Wansink,
Gaarne dank ik U voor Uw brief van 24 September (Set 1/111-2) , waarvan ik de ontvangst reeds even mondeling bevestigde. Inderdaad heb ik onder kapitaalkosten verstaan rente en afschrijvingen. Voorts neem ik met belangstelling kennis van Uw mededeling, dat het moderne spoorwegmaterieel een kortere levensduur heeft dan het vroegere. Ik ben ook met U eens dat men bij het tegenover elkaar stellen van de techniek van het wegverkeer en die van het railverkeer niet mag voorbijgaan aan de vraag welke levensduur de wegen hebben. Tenslotte kan ik ook geheel aanvaarden het bestaan van de door U bedoelde complicatie, dat het wegvervoer in bepaalde gevallen aan de spoorwegen het meest rendabele vervoer heeft onttrokken.
Op de basis van deze uitgangspunten mag ik dan wellicht trachten mijn visie op het door U gesignaleerde verschijnsel te formuleren. Indien en voor zover het juist is, dat een productiewijze met langlevende kapitaalgoederen vervangen wordt door een productiewijze met kortlevende kapitaalgoederen heeft het merkwaardige verschijnsel plaats dat zekere kapitalen vrij komen. In de werkelijkheid heeft wellicht slechts in een klein gedeelte van de sector werkelijk vervanging plaats gehad. Daarop gesuperposeerd is de uitbreiding van het verkeer, terwijl soms de beide verkeerswijzen naast elkaar zijn blijven voortbestaan onder gedeeltelijke leegloop van het spoorwegapparaat. Ik heb niet gemeend enige norm te kunnen ontlenen aan hetgeen ik heb gezegd t.a.v. deze overgang. Wel heb ik naast de werkelijke ontwikkeling in gedachten geplaatst een ontwikkeling, die zou zijn opgetreden indien de auto niet ware uitgevonden. Ik kan mij voorstellen dat het spoorwegverkeer zich dan verder zou hebben uitgebreid dan thans het geval is, al is het mij duidelijk dat het niet alle functies van het tegenwoordig bestaande autoverkeer had kunnen overnemen. Bij deze denkbeeldige ontwikkeling zou wellicht meer kapitaal nodig zijn geweest. De maatschappij heeft dus een zekere hoeveelheid kapitaal kunnen besparen, al is het in werkelijkheid misschien maar ten dele gebeurd, omdat de auto als het ware ongecoördineerd naast het railvervoer is geplaatst. Voor zover het wel gecoördineerd is geschied, zoals bijv. binnen het bedrijf van de Nederlandse Spoorwegen, kan ik mij voorstellen dat bedoelde kapitaalbesparing toch enigermate heeft plaats gevonden. Het gehele vraagstuk interesseerde mij voornamelijk uit een oogpunt van economische geschiedschrijving. Evenzeer als wij in bepaalde delen van de 19e eeuw uiterst belangrijke kapitalen hebben nodig gehad om het spoorwegapparaat te creëren en toen als het ware deze sterke verlenging van de pro-
- 2 -
ductieomweg een druk heeft uitgeoefend op de onmiddellijke welvaart ten bate van de toekomstige, zou het kunnen zijn dat de vinding van het wegverkeer ons in de laatste decennia kapitalen bespaard heeft. Ik erken dus de tegenwerkende factoren die genoemd zijn en ben als wetenschapsman nieuwsgierig naar de omvang waarin zich het door mij veronderstelde verschijnsel heeft voorgedaan. Daar de technische ontwikkeling een datum is, heb ik niet gemeend dat onmiddellijke gevolgtrekkingen voor de economische politiek daaraan zouden kunnen worden verbonden. Wel zou ik mij kunnen indenken, dat de door mij bedoelde voordelen teloor zijn gegaan door, wat ik hierboven noemde, het ongecoördineerde groeien van de auto.
Met de meeste hoogachting,
-
en
1
PROF. DR J. TINBERGEN THE HAGUE, 10 October 1951
Sijzenlaan 41
[y/5]
To Mr. D.J. Wansink,
Director of the
NETHERLANDS RAILWAYS N.V.
UTRECHT.
Dear Mr. Wansink,
I would like to thank you for your letter of September 24 (Set 1/111-2), the receipt of which I have already confirmed orally. Indeed, by capital costs I meant interest and depreciation. Furthermore, I note with interest your statement that modern railway equipment has a shorter lifespan than the former. I also agree with you that when comparing the technology of road traffic and that of rail traffic, one must not overlook the question of the lifespan of the roads. Finally, I can also fully accept the existence of the complication you mentioned, that road transport has in certain cases withdrawn the most profitable transport from the railways.
On the basis of these starting points, I may then perhaps try to formulate my vision on the phenomenon you pointed out. If and insofar as it is correct that a production method with long-lived capital goods is replaced by a production method with short-lived capital goods, the remarkable phenomenon occurs that certain capitals are released. In reality, replacement has perhaps only taken place in a small part of the sector. Superimposed on this is the expansion of traffic, while sometimes both modes of transport have continued to exist side by side under partial idling of the railway apparatus. I did not think I could derive any norm from what I said regarding this transition. However, alongside the actual development, I have placed in my mind a development that would have occurred if the car had not been invented. I can imagine that railway traffic would then have expanded further than is currently the case, although it is clear to me that it could not have taken over all the functions of the currently existing car traffic. In this imaginary development, perhaps more capital would have been needed. Society has therefore been able to save a certain amount of capital, although in reality it may have only happened in part, because the car was placed, as it were, uncoordinated alongside rail transport. Insofar as it has been coordinated, such as within the company of the Netherlands Railways, I can imagine that the intended capital saving has nevertheless taken place to some extent. The entire issue interested me primarily from a point of view of economic historiography. Just as in certain parts of the 19th century we needed extremely important capitals to create the railway apparatus and then, as it were, this strong extension of the pro-
- 2 -
duction detour exerted pressure on immediate prosperity for the benefit of the future, it could be that the invention of road traffic has saved us capitals in recent decades. I therefore acknowledge the counteracting factors that have been mentioned and, as a scientist, I am curious about the extent to which the phenomenon I assumed has occurred. Since technical development is a given, I did not think that immediate conclusions for economic policy could be attached to it. However, I could imagine that the advantages I intended have been lost through, what I mentioned above, the uncoordinated growth of the car.
With the highest regard,
-
extracted text
-
DEN HAAG^ 10 October 1953
Sijzenlaan M
Aan de Heer D . J . Wansink,
D i r e c t e u r van de
I-JEDERLAIJDSE SPOOH'VEGEN K.V.
U T R E C H T.
Zeer geachte*Heer Wansink,
Gaarne dank Ik U voor Uw brief van 2h September
(Set 1/111-2) , waarvan ik de ontvangst reeds even mondeling
bevestigde. Inderdaad heb Ik onder kapitaalkosten verstaan
rente en afschrijvingen. Voorts neem iv met belangstelling
kennis van Uw mededeling, dat het moderne spoorwegmaterieel
een kortere levensduur heeft dan het vroegere. Ik ben ook met
U eens dat men bij het tegenover elkaar stellen van de techniek van het wegverkeer en die van het railverkeer niet mag
voorbijgaan aan de vraag' welke levensduur de wegen hebben.Tenslotte kan ik ook geheel aanvaarden het bestaan van de door
ü bedoelde complicatie, dat het wegvervoer in bepaalde gevallen aan de spoorwegen het meest rendabele vervoer heeft onttrokken.
Op de basis van deze uitgangspunten mag Ik dan
wellicht trachten mijn visie op het door ü gesignaleerde verschijnsel te formuleren. Indien en voor zover het ju-'st is,
dat een productiewijze met langlevende kapita-^lgoederen vervangen wordt door een productiewijze met kortlevende kapitaalgoederen heeft het merkwaardige verschijnsel plaats dat zekere
kapitalen vrij komen. In de werkelijkheid heeft ^velllcht slechts
in een klein gedeelte van de sector werkelijk vervanging plaats
gehad,Daarop gesuperposeert is de uitbreiding van het verkeer,
terwijl soms de belde verkeerswijzen naast elkaar zijn blijven
voortbestaan onder gedeeltelijke leegloop van het spoorwegapparaat. Ik heb niet gemeend ^nlge norm te kunnen ontlenen
aan hetgeen ik heb gezegd t.a.v, deze overgang, V/el heb ik
naast de werkelijke ontwikkeling in gedachten, geplaatst een
ontwik'-eling, die zou zijn opgetreden indien de auto niet ware
uitgevonden. Ik kan mij voorstellen dat het spoorwegverkeer
zich dan verder zou hebben uitgebreid dan thans het geval is,
al is het mij duidelijk dat het niet alle functies van het
tegen~woordlg bestaande autoverkeer had kunnen overnemen. Bij
deze denkbeeldige ontwikkeling zou v/ellicht meer kapitaal nodig zijn geweest. De maatschappij heeft dus een zekere hoeveelheid kapitaal kunnen besparen, al is het in werkelijkheid
m.lsschien maar ten dele gebeurd, omdat de auto als het ware
ongecoördineerfl naast het railvervoer is geplaatst. Voor zovehet wel gecoördineerd is geschied, zoals bijv, binnen het bedrijf van de Nederlandse Spoorwegen, kan ik mij voorstellen
dat bedoelde kapitaalbesparing toch enigermate heeft plaits
gevonden. Het gehele vraagstuk interesseerde mij voornamelij
uit een oogpunt van economische geschiedschrijving. Fvenzeej
als wij in bepaalde delen van de 19e eeuw uiterst belangrij'
kapitalen hebben nodig gehad om het spoorwegapparaat te ere
eren en toen als het ware deze sterke verlenging van de pn
t^^r ledojoo or ^Qun Ksa
mQRsmii .i. na .'HOM
t4 n s F l n e s t l B
jjfnlsnsW . t . a 19eH eb nfiA
sb aBV ijued-oeiia
.V.H HSOm'flOOqB ^JSQIIAJHTOM
.T H o "^T fi T ü
,3^nl8nsW '^^^'^^ «-^ioBes -.
^
I9dm9;tqe3 4^2 nBV lefid wD l o c v ü 3il >!nBb eniBBD
s n l l e b n o n neve aLeei d'sgnBvJno eb ?(1 nBviBsw , ( S - r t T \ r *oS)
nBB:taiev n8ctgo>;l8B;JlqB>' lebno 3il derf bBsbiebnl .ebglitseved
SnlIIeitsgnBlBd item jii meen a;tiooV . n o a n l v t l i d o a l B ne ectnei
leelie.-^ • •' 'looqa emebom ;feri :tfib ,8nllebebeffl wU nsv alnne?!
iem jv'oo .
. e i e g e o t v ^eri nfib i'ieed l u u b a n e v e l eied-io^ nee
-doe* eb HBV nellecta iBsjlIe •ievone§e.1 :t9ri lïd nenr cfBb an^s ü
§Bni d-eln ^"^ —evllfii iteri nBv e l b ne •I9e>!iev89w isd aBv jlein
-neT.nedderi
eb l u u b a n e v e l e^'Iew '•^BBIV eb nBB nsBst^cfïoov
loob eb nev nBB.taed J-eri ciBbiBsvaBB leeries >{oo ?(1 nB?l ecf:tol2
-iBveg eblfifiqed n l leovievsew J-erf ;t6b ,9l*6ollqfjioo 9hl3ob9d ü
-j-no Jleerf l ö o v i e v eledfibnei Jsoem ied negewiooqs eb nsB n e l
,ne>'^oi:f
nBb >!1 §fifTi n©d-nüq8§nf.scMjj eseb nsv a l a s d eb qO
-19V e b i e e l B n g l a e s U loob Jeri qo ©lalv ntli^ neitrfoBiJ- ctriolllei?
, a l ia^ül ied l e v o s loov ne a^tbal
.neTelunnol eJ Xeant^doa
- t e v n9i©beo§IfiBd-lqB?i ebnevelgnBl ;tem e s t l w e l J o ü b c i q nee d^sb
-iBBctlqÊ/l 9bn9V9lJio>' d-em estlwel:foijboiq nee loob itbiow negnev
eiejJ'es *sb a^TfiBlq l e s n ó l r i o s i e v eglbiBöwjIiem cTerf Jleeri n e i e b e o s
a.ldoel8 ;tdofIl9w ^leeri blerfjltli^^^'ïsw ©b n l .nerfrcji (, fiv nelBj-lq«?f
Bd-fislq snlanBViev >'t-^-^9?'i^^'^ l o J o e a eb nav eJIeebeg nlel>f nee n l
j i e e j l i e v Jeri nev gnlbleid^flJJ eb al ctieeaoqieqjjaes qoiBsG.bBrieg
^ n e v t l l d n t l s 'XBBy'Le ctasBn nes(.lwai9e>'iev &b}&d eb arrroa Itlwied"
-sewiooqa cferi nBv q o c l s e e l 9:AiilBilB<^b9^ lebno nsBitaed^toov
n'^^nelctno nennjj?^ eJ- rff^o^ •^^glne bneen^g .teln derf >'I .^tSBiBqoB
>ïl derf leW ,§n6gi9vo eseb . V . B . J b§ese§ deri ili nees^eri nsfi
nee itsd-SBlqes ne^riofib'^s n l snlIeMjilwctno 95it.ll9>ïiew eb izBBa
91BW iteln o*]JB ©fc n e l b n l n e b e i J e s q o n t l s üos e l b ,snlIeV>fiw*no
TeeTl'tevgewiooqe J-eri ctf.b n e l l e j a i o o v lit^ nB:É >il .nebnovegJ-lo
, 3 l LBV9^ d-9ri SHBriit nfib bleides^fljj nsdderi xjos r^bi^v nsb riols
iBd ciBV ZBtSonuJ BLIB Jteln cterf cTsb 3lt^-Cet^-?"üb t-^-^ ^©ri a l I B
t l S .nemenievo nennu?! bBd lee^'ievo^üB BbaBBieod glbioownegeit
-on iBfiJ-lqBji lesfl! itriolliew JJOS snlIe>2llw:tno B-^lblBBdi^neb eseb
- - o d 9'i»>f«s nee sub illeeri ti«?c[Brioa:tBBK eü .^seeweg n t l s -glb
blBdyllilB^iem
tiï cfsri a l IB jfleiBqaed nennü>! LBBitqB:ii. bïBdl^Bv
916W J-eri alB o*üB eb Jfibmo jbii/edeg e l e b nej- iBsm nelrfoaalra
•9V0S looV .^-sjBBlqes a l l e o v i e v l l s i ^eri &ZBBn biBBnïbiöpoB^no
-ed iBd fiennld . v t l d BIBOS ,belrfo8 9§ a l b i e e n l b i S c o e g lew ;t9ri
nellej-aioov tijn >'-t fi^^' ^negewiooqS eabnBliobeïï eb nBV I t ^ i ^
a ^ / f l q ^leexf e;t6nnesln9 dood- ^^ïiBOP.BdlBBitqB^
BblBobed itsb
(.llemBmoov ilm ebieeaesierfnl jfo^asfiBiv elerieg cteH .nebnoves
ceesnevl . s n l v t l i d o a b e l r i o a e s erioalnronooe nev *niJq§oo nee itu
' t l t a n f i l e d * 8 i e J l j j wjjee e^t eb HÊV n e l e b ebXfisqed nï liyf a l e
910 eJ- jBfitBqqegewiooqa J-eri rao bfirieg glbon nedderi nelBd-lqs>'
nq eb flfiv g n l g n e l i e v ©3i-i«g^ ©seb ©IBW isd PSB nBoS ne asiB
- 2 -
ductieonweg een druk heeft uitgeoefend op de onmiddellijke
welvaart ten bate van de toekomstige, zou het kannen zijn
dat de vinding van het wegverkeer ons in de laatste decennia
kapitalen bespaard heeft. Ik erken dus de tegenwerkende
factoren die genoemd zijn an ben als wetenschapsman nieuwsgierig naar de omvang waarin zich het door mij veronderstelde
verschijnsel heoft voorgedaan. Daar de technische ontwikkeling een datum is, heb ik niet gemeend dat onmiddellijke gevolgtrekkingen voor de economische politiek daaraan zouden
kunnen worden verbonden. Wel zou ik mij kunnen indenken, dat
de door rcij bedoelde voordelen teloor zijn gegaan door, wat
ik hierboven noemde, het ongecoördineerde groeien van de
auto.
Ifet de meeste hoogachting,
- s -
9?ltlIl9bblmno sb qo bne1=>o'>g;tljj ilBsci yiuib n99 ^^mmof^iSoub
n [ l s a&anu^ ied JJOS (©sld-ano^'^o^t &b nev sitscf ned" ;ti£Bvl9w
filnneoab site^ÊBl ob n l ano l a a i i s v s s w iecl nsv §rilbnlv sb ;tfib
•»bne>i'i9wne§9:t eb aub ne^de 3JI .ctls'^ri biFBqsBd n9lBd"lqBji
-awijsln nBmsqBrfosn9CJ-9w a l e nocf nfe n t l s bm9on9§ &tb asioSoBt
ebiscf2iebnoi9v Itm 100b ied. riols nlifiBv/ gnBvmo 9b ifif-n sl'ï'^''S
-ey^Uwïno 9ffoBlnri09:f sb I B B Q .neBb-^stoov cfloerf leantlrfDaiev
- ö s 9j^lïIIBbbïmno
ip.b bn99me§ i^ïa -At derf , a l mtJ^Bb nee g n l l
nebüos nssiBBb >l9ld'lIoq erioalmonooe eb loov nesniyT^eirtsIov
iBb ^nSTlnebnl a9nnjJ>J (,1m ?11 jjos leW .nebnocfiev nebiow nennü>'
;t6w j i o o b nÊB§9g al'rs. looL^i n ^ l s b i o o v ©bleob^d Itm toob eb
eb nfiv n s l e o n s ebieenlb'xSooesno ;t9ri ,ebn9on nsvodislrf jlt
.Od'ÜB
^gfild-riDBsoor! ed-aeon eb cfeM