-
Title
-
Letter to J.J. Polak
-
Date
-
1951
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR01_016O016
-
5168
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM5168_NL-RtEUR_TBCOR01_016O016.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
184
1398 II vdB/vBa 19 Juli x51.
10 Mei 1951
de heer Prof. dr. J.J. Polak, International Monetary Fund, Washington 6, D.C. U.S.A.
Beste Koos,
Naar aanleiding van je schrijven aangaande het verband tussen import en nationale productie (c.q. inkomen) kan ik je mededelen, dat ik het eerste gedeelte van je betoog geheel kan onderschrijven:
de invoerelasticiteit t.o.v. de industriële productie is lager dan die t.o.v. de totale productie (c.q. inkomen), welke rond 1,4 bedraagt (uit het spreidingsdiagram, dat je noemde, valt deze hoogte van de elasticiteit eveneens af te leiden);
inderdaad bedroeg de gemiddelde waarde van de invoer 35% van het nationale inkomen, zodat de marginale invoerquote voor de periode 1923-'38 gemiddeld ongeveer 0,50 bedraagt;
de voornaamste reden, waarom in 1948-prijzen de marginale importquote 1,00 bedraagt is de divergentie in prijsontwikkeling van nationaal inkomen enerzijds, invoer anderzijds.
In het volgend gedeelte van je betoog stel je dat het ongewenst is om reële marginale productiequota te vertalen in relatieve prijzen van een geheel andere periode, en dat het vrijwel ondenkbaar is, dat op enig moment de marginale importquote 1,00 zou bedragen. Op grond hiervan wordt de geldigheid van het spreidingsdiagram, dat je noemde, in twijfel getrokken.
In andere woorden komt deze redenering neer op de stelling, dat het ongewenst is om het verband tussen importvolume en productievolume vast te leggen; hetgeen door mij in twijfel wordt getrokken, daar rond 80% van de Nederlandse invoer uit grondstoffen bestaat en er dus een nauw verband bestaat tussen productievolume (c.q. reëel inkomen) en importvolume.
Ook het slot van je betoog kan ik niet onderschrijven. Daar stel je, dat alle marginale uitgaven voor binnenlandse goederen en diensten, met inbegrip van alle marginale besparingen en belastingbetalingen gecompenseerd worden door geïnduceerde voorraadvorming van geïmporteerde goederen. Mijn gedachtegang is echter aldus: Wanneer de totale bruto productie (d.w.z. nationaal inkomen vermeerderd met invoer) toeneemt met ƒ 2 mln, wijzigen nationaal inkomen en invoer ieder met ƒ 1 mln. Dit houdt niet in, dat de inkomensstijging geheel aan invoergoederen wordt besteed, immers ook de uitvoer kan toenemen.
Is ons verschil hier dat ik invoer altijd als "grondstoffen" beschouw en jij als "eindproducten"?
Met hartelijke groeten,
(J. Tinbergen)
-
en
184
1398 II vdB/vBa 19 July x51.
10 May 1951
Prof. Dr. J.J. Polak, International Monetary Fund, Washington 6, D.C. U.S.A.
Dear Koos,
Following your letter regarding the relationship between imports and national production (i.e., income), I can inform you that I can fully endorse the first part of your argument:
the import elasticity relative to industrial production is lower than that relative to total production (i.e., income), which is around 1.4 (this level of elasticity can also be derived from the scatter diagram you mentioned);
indeed, the average value of imports was 35% of the national income, so that the marginal import quota for the period 1923-'38 averaged approximately 0.50;
the main reason why the marginal import quota in 1948 prices is 1.00 is the divergence in price development of national income on the one hand, and imports on the other.
In the next part of your argument, you state that it is undesirable to translate real marginal production quotas into relative prices of a completely different period, and that it is almost unthinkable that at any moment the marginal import quota would be 1.00. On this basis, the validity of the scatter diagram you mentioned is called into question.
In other words, this reasoning boils down to the proposition that it is undesirable to fix the relationship between import volume and production volume; which is questioned by me, since around 80% of Dutch imports consist of raw materials and there is therefore a close relationship between production volume (i.e., real income) and import volume.
I also cannot endorse the conclusion of your argument. There you state that all marginal expenditures for domestic goods and services, including all marginal savings and tax payments, are compensated by induced inventory formation of imported goods. My line of thought, however, is as follows: When total gross production (i.e., national income plus imports) increases by ƒ 2 million, national income and imports each change by ƒ 1 million. This does not mean that the increase in income is spent entirely on imported goods, as exports can also increase.
Is our difference here that I always consider imports as "raw materials" and you as "finished products"?
With kind regards,
(J. Tinbergen)
-
extracted text
-
>
I390
II
vdB/vBa
'•-^ '"^li
^51.
10 Mei 1951
LLC
il'~^
'.r P^-'O'". •Ir
J,J.^lak,
Internat! ^ .
.etar^Fund,
Washington 6». ,'. ^.
Beste Koos,
ITaar aanleiding van je s c h r i j v e n aaiijraandte
«/erband
ti'ssen iïaport en n a t i o n a l e iDroduetie ( c a * inkomen) ^uii Ik je mededelen., dat ik het eers^te gedeelte van je betoog gr-' — "' ^--- onderschrijven:
,
. . ^"
de i n v o e r e l a s t i c i t e i t t..o*-y*i de i n d u s t r i ë l e productie i s lager
dan die t . o . v , de t o t a l e productie ( c . " :••"•: omen), welke
rond 1>U bedraagt (mit het spreidingsd:
.1, dat je
noemde, v a l t deze,hoogte van de e l a s t i c i t e i t eveneens af
te leiden);
Inderdaad bedroeg de gemiddelde waarde van de invoer 35,^^0 van
het nationiale inkoiaen, zodat de marginale invoerq.uote
voor de periode 1923~ 38 gemiddeld onge- - - 0,50 bedraagt;
, _
de voornaamste reden, \Yaarom in 19U8*pri jsen de marginale
imp ' )te 1,00 bedraagt i s de divergentie i n p r l j s ont' .
Ling van nation?.al- inkomen ener55i#de, invoer
anderzijds.
In het volgend gedeeios.- v...i ^!^_- 1^.01,0^^^^ >JUV.J.^-. :..-.>. net ongewenst i s om reSle marginale produetiecuota te v e r t a t e n i n r e l a t i e v e p r i j z e n van een geheel andere p^eriode, en c
'- vrijwel ondenkbaar i s , dat op enig moment de marginale impc
r.e 1,00 20u
bedragen. Op grond hiervan ^TOrat de geldigheid vu
r-preidingsdiagram, dat je noemde, i n tv-rigfel geirokicen,
^
, ._.
In andere v/oorden kamt de se redenering ncv.,:. .... de s t e l l i n g ,
dat het ongewenst i s om het verband tussen iïaport vol u^ie en p r o d u c t i e volume vast t e leggen; hetgeen door mij i n trfi j f e l w<||dt getrokken,
daar rond ÖO"^ van de Hederïandse invoer u i t grondst©::pen be&taat en
e r dus een nauw verband bestaat' tn£>sen prodiictievoluiès ( c q . . r e ë e l
inkomen) en importvolume.
Ook bet s l o t van je betoo., /.:tLr: j. .^ . .j.'.^o .^ai...-.wi. ..•.;..ri ^jven.
Daar s t e l j e , dat a l l e marginale uitgaven voor binnenlandse goederen
en d i e n s t e n , met inbegrip van a l l e marginale besparin,;en en b e l a s t i n betalinfren gecompenseerd worden door geïnduceerde voorraadvorrrlng van
geïmporteerde goederen. Mijn gedachtegang i s echter a l d u s : Wanneer de
t o t a l e b r u t o productie (d.w.2. nationaal iiikomen vermeerderd met invoer)
toeneemt met ƒ 2 min, wijzigen najiionaal inkomen en invoer ieder met
ƒ i min. Dit houdt n i e t i n , dat dé inkomensstijging geheel aan invoergoeöeren wordt besteed, immers ook de u i t v o e r kan toenemen.
Is ons v e r s c h i l h i e r dat ik Invoer
„ j. ^ x T . -i,„ ^^^+„v,
a l t i j d a l s "grondstoffen" beschouw
^«* h a r t e l i j k e groeten.
en j i j a l s "eindproducten" ?
(J*Tinbe
.
n\
, a o c ao-aöb.
•anx
!.0S
eb^B&'h' Qbl-
.OOV
.:i iiBv
giïil
slBnisi^ffl
..-
s I S s T ia© s i
^9 q o
xiJSTisirf
fcnoia
q
nl
3 aub IS
(nsflioiEni:
.3
~r.
^r
i
.
, - + ^ /-r - r
9Ü>
. -^
fif S I I B d"Bf> , S t
Io.t;
rori J-iCI
jüSoö3cf ^ f n o w -iO
•löovnt Til ctsb leïd
? itpq.-f.-inf-n'-'
x i a o s ' i a v eno
Ie rif;
al
n©