-
Title
-
Letter to A. Sijthoff
-
Description
-
With annex: Report of an unknown lecture by Tinbergen
-
Date
-
1951
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR01_016S053
-
5011
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM5011_NL-RtEUR_TBCOR01_016S053.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
26 Mei 1951
De Heer A. Sijthoff, Wagenstraat 37, Den Haag.
Amice,
Hierbij mijn gedeelte van het verslag dat ik beloofde direct door te zenden.
Met vriendelijke groeten,
Tinbergen sprak over het jaarverslag van de Nederlandsche Bank, dat hij een jaarlijkse gebeurtenis van betekenis op economisch gebied noemde. Ook ditmaal geeft het door de President zelf geschreven verslag een zeer duidelijke uiteenzetting over de economische toestand van het land. Nadat in 1949 onze betalingsbalans bijna in evenwicht was, is daarop in 1950 een nieuwe verstoring van dat evenwicht gevolgd. Deze was eensdeels toe te schrijven aan de devaluatie, anderdeels aan de liberalisatie van het handelsverkeer en in belangrijke mate aan de prijsstijgingen, die na de crisis van Korea zijn opgetreden. De liberalisatie van het handelsverkeer leidde onder meer tot een invoer van textielgoederen van ongeveer een milliard, hetgeen zeker een half milliard meer invoer betekende. Dit houdt verband met het feit dat nog steeds onze voorraden op dit gebied beneden het normale peil lagen. De prijsstijging na Korea is van dien aard, dat wij voor onze invoer thans 1,4 milliard meer moeten betalen dan wij voor dezelfde invoer in 1948 zouden hebben moeten betalen. Onze uitvoerprijzen zijn lang zo sterk niet gestegen, omdat wij niet gespecialiseerd zijn op de goederen, die thans het sterkst worden gevraagd: defensiegoederen en grondstoffen.
Van bijzondere waarde is de analyse van de monetaire toestand door dr Holtrop gegeven. Hij gaat er van uit dat in een land met buitenlands verkeer het betalingsbalanstekort op lopende rekening gelijk is aan het overschot van uitgaven boven inkomen. Dit kan men gemakkelijk zelf narekenen. Voor het jaar 1950 bedroeg het betalingsbalanstekort f. 1,1 mld. Hoe is het mogelijk geweest deze uitgaven boven het inkomen ten bedrage van f 1,1 mld te financieren? De analyse van de Bank-President doet zien dat ongeveer f 450 mln is gefinancierd door uitbreiding van bankcredieten aan het bedrijfsleven, eveneens ongeveer f 450 mln door het gebruik maken van liquide middelen, die men boven de noodzakelijke kasvoorraden ter beschikking had als gevolg van de oorlog- en na-oorlogsinflatie. Er is een derde post van ongeveer f 90 mln, die thans niet ter zake doet en er is tenslotte ten behoeve van de overheid f 290 mln geld gecreëerd door het bankwezen.
Betekent dit dat de overheid dus een tekort had van f 290 mln? Uit de verdere analyse van dr Holtrop blijkt dat niet het geval te zijn. De verschillende rekeningen van de Staat geven tezamen een overschot van f 400 mln te zien. Het is door het aanbieden van schatkistpapier
- 2 -
ter terugbetaling voor een bedrag van ettelijke honderden millioenen, dat tenslotte een credietcreatie ten behoeve van de overheid moest plaats vinden. Hier merkt de President op: had men deze inflatoire financiering willen voorkomen, dan zou men voor een bedrag van f 290 mln op de kapitaalmarkt hebben moeten lenen. Het is intussen duidelijk dat dit gemakkelijker gezegd is dan gedaan, zoals wel blijkt uit de jongste poging tot het plaatsen van een lening. Deze is slechts voor driekwart voltekend. Men ziet in deze aanbieding van schatkistpapier overigens een der risico's gedemonstreerd tot welke een hoge vlottende staatsschuld leidt.
Nog een andere passage van het Bankverslag heeft enige discussie ontketend. Het is de passage waar dr Holtrop stelt dat het betalingsbalansevenwicht uitsluitend door een juiste financieringspolitiek kan worden nagestreefd. Dit zou bij sommige lezers de indruk kunnen wekken alsof iedereen nu maar net zou kunnen doen wat hij wil, omdat immers de President van de Nederlandsche Bank en de Minister van Financiën wel zorgen dat de betalingsbalans in evenwicht komt. In de E.-S.B. is hierbij aangetekend dat de verantwoordelijkheid op ons allen drukt. Met name moeten de verschillende belangengroepen in onze maatschappij er van doordrongen zijn dat hun eisen tot verhoging van inkomens of prijzen eveneens ons monetaire evenwicht of anders in elk geval de stand van onze werkgelegenheid bedreigen. Zo is er dus inderdaad een samenwerking van verschillende vormen van economische politiek nodig, al is daarbij inderdaad de monetaire politiek van centrale betekenis.
-
en
May 26, 1951
Mr. A. Sijthoff, Wagenstraat 37, The Hague.
Amice,
Enclosed is my part of the report that I promised to send through immediately.
With kind regards,
Tinbergen spoke about the annual report of the Netherlands Bank, which he called an annual event of significance in the economic field. This time too, the report written by the President himself gives a very clear explanation of the economic state of the country. After our balance of payments was almost in equilibrium in 1949, a new disruption of that equilibrium followed in 1950. This was partly attributable to the devaluation, partly to the liberalization of trade and to a significant extent to the price increases that occurred after the crisis in Korea. The liberalization of trade led, among other things, to an import of textile goods of about one billion, which certainly meant half a billion more in imports. This is related to the fact that our stocks in this area were still below the normal level. The price increase after Korea is of such a nature that we now have to pay 1.4 billion more for our imports than we would have had to pay for the same imports in 1948. Our export prices have not risen nearly as strongly, because we are not specialized in the goods that are currently in greatest demand: defense goods and raw materials.
Of particular value is the analysis of the monetary situation given by Dr. Holtrop. He assumes that in a country with foreign trade, the balance of payments deficit on current account is equal to the surplus of expenditure over income. This can be easily calculated by oneself. For the year 1950, the balance of payments deficit amounted to f. 1.1 billion. How was it possible to finance these expenditures in excess of income in the amount of f 1.1 billion? The analysis of the Bank President shows that about f 450 million was financed by expanding bank credits to the business community, also about f 450 million by making use of liquid assets that were available above the necessary cash reserves as a result of war and post-war inflation. There is a third item of about f 90 million, which is currently irrelevant, and finally, f 290 million in money was created by the banking system for the benefit of the government.
Does this mean that the government therefore had a deficit of f 290 million? Further analysis by Dr. Holtrop shows that this is not the case. The various accounts of the State together show a surplus of f 400 million. It is through the offering of treasury paper
- 2 -
for repayment for an amount of several hundred millions, that finally a credit creation for the benefit of the government had to take place. Here the President notes: if one had wanted to prevent this inflationary financing, one would have had to borrow an amount of f 290 million on the capital market. It is meanwhile clear that this is easier said than done, as is evident from the latest attempt to place a loan. This was only three-quarters subscribed. One sees in this offering of treasury paper, moreover, one of the risks demonstrated to which a high floating national debt leads.
Another passage of the Bank Report has sparked some discussion. It is the passage where Dr. Holtrop states that the balance of payments equilibrium can only be pursued through a correct financing policy. This might give some readers the impression as if everyone could now just do what they want, because after all, the President of the Netherlands Bank and the Minister of Finance will ensure that the balance of payments comes into equilibrium. In the E.-S.B. it is noted in this regard that the responsibility rests on all of us. In particular, the various interest groups in our society must be permeated by the fact that their demands for increases in income or prices also threaten our monetary equilibrium or otherwise in any case the state of our employment. Thus, a cooperation of different forms of economic policy is indeed necessary, although monetary policy is indeed of central importance in this regard.
-
annexCount
-
1