-
Title
-
Letter to J.R.M. van den Brink
-
Description
-
Annex: manuscript of a summary of a speech given by Tinbergen for the Department 's-Gravenhage van de Nederlandse Maatschappij voor Handel en Nijverheid in January 195, titeld 'De economische positie in de aanvang van 1951'.
-
Date
-
1950
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR01_014B026
-
3003
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM3003_NL-RtEUR_TBCOR01_014B026.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
323 D/T T/Vos 6 December 50
Zijne Excellentie Prof. Dr J.R.M. v.d. Brink, Minister van Economische Zaken, Bezuidenhout 30, 's-Gravenhage.
Hierbij doe ik Uwe Excellentie een uittreksel toekomen van de rede die ik mij voorstel te houden voor de Maatschappij van Handel en Nijverheid, waarbij in de laatste alinea, overigens met het nodige voorbehoud, de cijfers ter sprake zouden kunnen komen die mijn Bureau onlangs ten Uwe behoeve heeft berekend.
Gaarne zou ik van U vernemen of bij U tegen bepaalde passages van dit betoog bezwaren bestaan. Het zou de bedoeling zijn dat de rede werd uitgesproken op een nog niet precies vastgestelde datum in Januari.
DE DIRECTEUR VAN HET CENTRAAL PLANBUREAU, (J. Tinbergen)
ONTWERP SAMENVATTING VAN EEN VOORDRACHT TE HOUDEN VOOR HET DEPARTEMENT 'S-GRAVENHAGE VAN DE NEDERLANDSE MAATSCHAPPIJ VOOR HANDEL EN NIJVERHEID IN JANUARI 1951
DE ECONOMISCHE POSITIE IN DE AANVANG VAN 1951
In 1949 is het duidelijk geworden dat ons land een behoorlijk eind op weg was naar het economisch herstel. Het dekkingspercentage van de invoer door de uitvoer bedroeg ruim 70%. Het tekort op de betalingsbalans bedroeg volgens de gegevens van de Nederlandse Bank ongeveer f 300 millioen. De uitvoer was in vergelijking tot het voorafgaande jaar naar volume met 50% gestegen en had voor een gedeelte de plaats ingenomen van de consumptie die met 3% gedaald was: juist de structuurwijziging die wij nodig hadden. Het resultaat van 1949 was echter bijzonder gunstig door de aanwezigheid van enkele factoren op welker geregelde terugkeer niet mag worden gerekend. Een goede oogst bij ons naast droogte bij de buurlanden voerde onze agrarische export met netto f 100 millioen omhoog; eenzijdige liberalisatie van het Duitse verkeer gaf ons een extra bate van f 140 millioen, terwijl ook in het Indonesische verkeer grotere exporten werden gemaakt dan voor de toekomst kunnen worden verwacht.
Sinds 1949 hebben enige belangrijke nieuwe ontwikkelingen zich doen gevoelen: de devaluatie, de liberalisatie en de gevolgen van de Koreaanse crisis. Als een voorbeeld van de berekeningen van het Centraal Planbureau is het wellicht belangwekkend iets te vermelden van de gevolgen van de devaluatie die verwacht werden en deze te vergelijken met de werkelijk opgetreden gevolgen. Berekend werd dat bij een looncompensatie, die
2.
voor de helft zou plaats vinden, de stijging van de kosten van levensonderhoud 8 à 10% zou bedragen. Voorts dat het saldo op de betalingsbalans, dat voor 1949 zonder de gunstige factoren op f 600 millioen werd geraamd, zich zou verhogen tot f 900 millioen. Daarnaast werd de verwachting uitgesproken dat tijdelijk zeer gunstige gevolgen zouden optreden, die echter niet zouden blijven bestaan, terwijl op de langere duur met de mogelijkheid van een gunstiger exportontwikkeling eveneens werd rekening gehouden. Deze laatste gevolgen laten zich uiteraard thans nog niet vaststellen. Wel is gebleken dat de allereerste zeer gunstige gevolgen (de bijzonder gunstige toestand van de betalingsbalans tussen September en December 1949) inderdaad maar tijdelijk was, terwijl tevens thans bekend is dat de totale stijging van de kosten van levensonderhoud ongeveer 10% bedroeg voordat de tweede loonronde van 5% zijn intree deed. De ontwikkeling van de betalingsbalans in 1950 is inderdaad minder gunstig dan in 1949 en het betalingsbalanstekort bedraagt op het ogenblik ruim 2 milliard. Zowel de uitvoer als de invoer zijn echter na de Koreaanse crisis meer gestegen dan door het Planbureau voor het jaar 1950 was voorzien. Daarbij kon echter met de Koreaanse crisis nog geen rekening worden gehouden.
Een woord mag nog worden gezegd over de internationale gevolgen van de devaluatie. Zeer opvallend is de verbetering in de Engelse positie die thans zelfs heeft geleid tot het beëindigen van de Marshall-hulp. Toch verlieze men niet uit
4.
balans: indien men reeds een deficit heeft, vergroot deze zich in evenredigheid met de prijsstijging, terwijl bovendien de invoerprijzen sterker zijn gestegen dan de uitvoerprijzen. Er is dus alle aanleiding om een groter betalingsbalansdeficit te vrezen voor zover althans de koopkracht bij het Nederlandse publieke en bedrijfsleven aanwezig is. Wat deze laatste kwestie betreft kan men hopen dat althans de geldruimte van de laatste jaren vrijwel is overwonnen, waardoor een automatische rem verkregen is op uitgaven die het inkomen overtreffen. Dit kan op de omvang van de invoer een sanerende werking uitoefenen, indien althans onze uitvoer in toenemende mate afzetbaar blijkt in het buitenland en onze eigen productie met de invoer voldoende kan concurreren.
Voor en na blijft daardoor het belang van een laag loon- en prijsniveau bestaan, zij het dat voorshands het reële loonniveau wellicht gehandhaafd kan blijven. Het grote belang van een verdergaande productieverhoging blijkt hieruit: ofschoon reeds veel nuttig werk is verricht door verschillende ondernemingen en bureaus is de indruk dat er nog steeds ruimte is voor een verdere verhoging van de productiviteit. Verschillende detailervaringen alsmede het lage cijfer van Nederland in vergelijking tot het buitenland bevestigen deze zienswijze. Er moet zowel worden gedacht aan het vervangen van ervaringstarieven door rekeningstarieven, waarbij een verhoging of opheffing van het loonplafond kan optreden, alsook aan ploegenarbeid en specialisatie van
5.
ondernemingen. Amerikaanse ondernemers menen ook herhaaldelijk mogelijkheden tot verhoging van efficiëntie zonder veel kosten bij onze bedrijven waar te nemen.
Overigens kunnen ook bepaalde handelsmarges zonder bezwaar verder omlaag gebracht worden. De tijd is gekomen voor initiatieven van het bedrijfsleven in deze richting en het stemt tot voldoening dat verschillende bedrijven reeds blijk hebben gegeven dit in te zien. Men kan door eigen initiatieven de noodzaak voor de Regering tot ingrijpen verkleinen.
-
en
323 D/T T/Vos December 6, 50
His Excellency Prof. Dr. J.R.M. v.d. Brink, Minister of Economic Affairs, Bezuidenhout 30, The Hague.
I hereby send Your Excellency an extract of the speech I intend to give for the Society for Trade and Industry, in which, in the last paragraph, with the necessary reservations, the figures that my Bureau recently calculated for your benefit might be discussed.
I would be pleased to hear from you whether you have any objections to certain passages of this argument. The intention would be for the speech to be delivered on a date in January that has not yet been precisely determined.
THE DIRECTOR OF THE CENTRAL PLANNING BUREAU, (J. Tinbergen)
DRAFT SUMMARY OF A PRESENTATION TO BE HELD FOR THE THE HAGUE DEPARTMENT OF THE NETHERLANDS SOCIETY FOR TRADE AND INDUSTRY IN JANUARY 1951
THE ECONOMIC POSITION AT THE BEGINNING OF 1951
In 1949 it became clear that our country was well on its way to economic recovery. The coverage ratio of imports by exports was over 70%. The balance of payments deficit was, according to data from the Netherlands Bank, approximately f 300 million. Exports had increased by 50% in volume compared to the previous year and had partially taken the place of consumption, which had fallen by 3%: exactly the structural change we needed. However, the result of 1949 was particularly favorable due to the presence of several factors whose regular return cannot be counted on. A good harvest here alongside drought in neighboring countries drove our agricultural exports up by a net f 100 million; unilateral liberalization of German traffic gave us an extra benefit of f 140 million, while larger exports were also made in Indonesian traffic than can be expected for the future.
Since 1949, some important new developments have made themselves felt: the devaluation, liberalization, and the consequences of the Korean crisis. As an example of the calculations of the Central Planning Bureau, it is perhaps interesting to mention something about the expected consequences of the devaluation and to compare these with the consequences that actually occurred. It was calculated that with a wage compensation, which
2.
would take place for half, the increase in the cost of living would be 8 to 10%. Furthermore, that the balance of payments surplus, which for 1949 without the favorable factors was estimated at f 600 million, would increase to f 900 million. In addition, the expectation was expressed that temporary very favorable consequences would occur, which would not persist, while in the longer term the possibility of a more favorable export development was also taken into account. These latter consequences cannot, of course, be determined yet. It has become clear that the very first very favorable consequences (the particularly favorable state of the balance of payments between September and December 1949) were indeed only temporary, while it is also now known that the total increase in the cost of living was approximately 10% before the second wage round of 5% was introduced. The development of the balance of payments in 1950 is indeed less favorable than in 1949 and the balance of payments deficit currently amounts to over 2 billion. Both exports and imports have, however, increased more after the Korean crisis than was foreseen by the Planning Bureau for the year 1950. However, the Korean crisis could not yet be taken into account at that time.
A word may still be said about the international consequences of the devaluation. Very striking is the improvement in the British position, which has now even led to the termination of Marshall Aid. Yet one should not lose sight of
4.
balance: if one already has a deficit, it increases in proportion to the price increase, while moreover import prices have risen more sharply than export prices. There is therefore every reason to fear a larger balance of payments deficit, at least as far as purchasing power is present in Dutch public and business life. Regarding this latter issue, one can hope that at least the monetary space of recent years has been largely overcome, whereby an automatic brake has been obtained on expenditures that exceed income. This can have a sanitizing effect on the volume of imports, provided at least that our exports prove increasingly marketable abroad and our own production can compete sufficiently with imports.
Therefore, before and after, the importance of a low wage and price level remains, although for the time being the real wage level can perhaps be maintained. The great importance of a further increase in productivity is evident from this: although much useful work has already been performed by various companies and bureaus, the impression is that there is still room for a further increase in productivity. Various detailed experiences as well as the low figure for the Netherlands compared to foreign countries confirm this view. Consideration must be given both to replacing experience rates with accounting rates, whereby an increase or abolition of the wage ceiling can occur, as well as to shift work and specialization of
5.
companies. American entrepreneurs also repeatedly believe they observe possibilities for increasing efficiency without much cost in our companies.
Furthermore, certain trade margins can also be brought down further without objection. The time has come for initiatives from the business community in this direction, and it is satisfying that various companies have already shown that they recognize this. One can reduce the need for the Government to intervene through one's own initiatives.
-
annexCount
-
1