-
Title
-
Letter to {name not available}
-
Date
-
1952
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR01_016G011
-
2649
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM2649_NL-RtEUR_TBCOR01_016G011.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
Afschrift
PROF DR J. TINBERGEN
Den Haag, 18 Juni 1952 Sijzenlaan 51
Mijne Heren,
Met veel belangstelling heb ik het boekje van Barr gelezen. Het begin vind ik inderdaad voortreffelijk. Zoals het gewoonlijk gaat is de probleemstelling, die hier bijzonder goed is, beter dan de oplossing die aanbevolen wordt. Het tweede gedeelte van het geschrift is naar mijn smaak dan ook minder overtuigend. Met de hoofdlijn, als ik die goed begrijp, ben ik het weliswaar een heel eind eens. Ook naar mijn mening is een van de grootste vraagstukken van mondiale economische politiek gelegen in de verheffing van de levensstandaard van het Verre Oosten en deze verheffing zal zeer zeker niet kunnen worden verkregen zonder dat veel belangrijker bedragen door het Westen ter beschikking worden gesteld dan tot nu toe het geval is. Een der grootste complicaties is echter de tendentie, die er, althans naar de mening van een aantal deskundigen, in het Verre Oosten bestaat, dat de vergroting van de nationale productie zich in bijna niets anders omzet dan een stijging van de bevolking, die op practisch hetzelfde peil blijft voortleven. Cijfers over deze kwestie zijn niet eenvoudig te verkrijgen, maar de indruk van vele deskundigen is dat bijv. ook in Indonesië deze groei in de breedte aanmerkelijk belangrijker is geweest dan wat men de groei in de diepte zou kunnen noemen (de verhoging van de levensstandaard). Indien het ongeveer zo ligt zou de oplossing van het bevolkingsvraagstuk in deze landen een tweede, ten minste zo belangrijke voorwaarde zijn ter verhoging van de levensstandaard. Vanuit Westers standpunt gezien zou men dan kunnen stellen dat, zolang het bevolkingsvraagstuk niet is opgelost de aan het Oosten bestede bedragen bijna vergeefs zouden zijn ter beschikking gesteld.
Over deze hoogst belangrijke kwestie spreekt het boekje niet. Een antwoord op deze vraag moet eerst worden gegeven alvorens een fors programma kan worden ontwikkeld.
Een ander aspect van de zaak werd onlangs in de Engelse Economist (Juni 2, blz.1277) aangeroerd. Deze stelde dat zowel onder Point 4 als onder het Colombo-plan niet zozeer de beschikbaarstelling van fondsen, alswel de bestedingsmogelijkheden daarvan in de Oostelijke landen zelf het knelpunt vormden in de oplossing van deze kwestie van de eerste orde voor de wereldeconomie en de wereldpolitiek.
Wie pleit voor drastische verhoging van de hulp aan het Oosten - en ik ben geneigd me tot de voorstanders van deze gedachte te rekenen - heeft daarom tot taak deze twee belangrijke aspecten van de zaak mede in zijn voorstellen te betrekken.
Wat de politieke zijde van de zaak betreft komt het me voor, dat er voldoende organen zijn waar deze kwestie naar voren kan worden gebracht, zodat me het verband met de gedachte van de Wereld-Assemblée slechts zwak lijkt. Wel zou ik gaarne toegeven dat voor bepaalde belangrijke punten van economische politiek zijn betekenis kan hebben, wanneer voorstellen "van onderop" worden gepropageerd. Daartoe dienen deze voorstellen dan echter ook een antwoord te geven op alle belangrijke zijden van het probleem. M.i. zou men in elk geval goed doen de door mij genoemde punten door een kleine groep van experts te laten onderzoeken op de wijze zoals dat is gedaan door het werkloosheidsvraagstuk, waar de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties eveneens enige experts om een rapport heeft gevraagd. Als een der experts zou ik in elk geval naar voren willen brengen de Australische econoom en statisticus Colin Clark, die meer dan enig andere statisticus over gegevens beschikt, die hierbij van betekenis kunnen zijn. Daarnaast zou men uiteraard verstandig doen enige Amerikaanse deskundigen en deskundigen uit de Oosterse landen zelf aan te trekken. Het totale aantal zou niet te groot moeten zijn, bijv. 5. Het rapport zou op korte termijn geleverd kunnen worden.
Hoogachtend
-
en
Copy
PROF DR J. TINBERGEN
The Hague, 18 June 1952 Sijzenlaan 51
Gentlemen,
I have read Barr's booklet with great interest. I find the beginning indeed excellent. As is usually the case, the problem statement, which is particularly good here, is better than the recommended solution. The second part of the writing is therefore less convincing to my taste. With the main line, if I understand it correctly, I am indeed largely in agreement. In my opinion, too, one of the greatest issues of global economic policy lies in raising the standard of living in the Far East, and this elevation will certainly not be achievable without much more significant amounts being made available by the West than has been the case so far. One of the greatest complications, however, is the tendency that exists in the Far East, at least in the opinion of a number of experts, that the increase in national production translates into almost nothing other than a rise in population, which continues to live at practically the same level. Figures on this matter are not easy to obtain, but the impression of many experts is that, for example, in Indonesia as well, this horizontal growth has been considerably more significant than what one might call vertical growth (the raising of the standard of living). If the situation is roughly like this, the solution to the population problem in these countries would be a second, at least as important, prerequisite for raising the standard of living. From a Western point of view, one could then state that as long as the population problem is not solved, the amounts spent on the East would be made available almost in vain.
The booklet does not speak about this highly important issue. An answer to this question must first be given before a substantial program can be developed.
Another aspect of the matter was recently touched upon in the English Economist (June 2, p. 1277). It stated that under both Point 4 and the Colombo Plan, it was not so much the availability of funds, but rather the spending opportunities thereof in the Eastern countries themselves that formed the bottleneck in solving this matter of the first order for the world economy and world politics.
Anyone who advocates for a drastic increase in aid to the East - and I am inclined to count myself among the proponents of this idea - therefore has the task of including these two important aspects of the matter in their proposals.
As far as the political side of the matter is concerned, it seems to me that there are sufficient bodies where this issue can be brought forward, so that the connection with the idea of the World Assembly seems only weak to me. I would, however, gladly admit that for certain important points of economic policy, it can have its significance when proposals are propagated "from below." To that end, however, these proposals must also provide an answer to all important sides of the problem. In my opinion, one would in any case do well to have the points I mentioned investigated by a small group of experts in the manner that was done for the unemployment problem, where the Economic and Social Council of the United Nations also asked some experts for a report. As one of the experts, I would in any case like to put forward the Australian economist and statistician Colin Clark, who possesses more data than any other statistician that could be of significance here. In addition, one would naturally be wise to involve some American experts and experts from the Eastern countries themselves. The total number should not be too large, e.g., 5. The report could be delivered in the short term.
Sincerely