-
Title
-
Letter to C.B. Zijlstra
-
Description
-
Annex: manuscript of a memo titled 'Nederland en de onderontwikkelde landen'.
-
Date
-
1954
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR01_021W054
-
7724
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM7724_NL-RtEUR_TBCOR01_021W054.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
124 D/T VOS 5 Juni 4
PERSOONLIJK
Zijne Excellentie de Minister van Economische Zaken, Bezuidenhout 30, 's-Gravenhage
Overeenkomstig mijn toezegging doe ik U hierbij een eerste schets toekomen van een notitie betreffende een Nederlands initiatief ten aanzien van de onderontwikkelde landen. Gezien het in eerste instantie politieke karakter van het stuk, doe ik het U toekomen zonder dat nog enig ambtelijk overleg heeft plaats gehad; het heeft geen zin dit te openen, indien U niet in beginsel gevoelt voor een stap als hier aangeduid. Wel heb ik, overeenkomstig ons gesprek, gelegenheid gehad met Minister Mansholt over deze aangelegenheid te spreken en aan deze daarom eveneens een exemplaar toegezonden. Gaarne zou ik Uw toestemming hebben om, indien U met het beginsel van de gedachte kunt instemmen, een afschrift te zenden aan een aantal hoofdambtenaren van de ministeries van Economische en van Buitenlandse Zaken alsmede van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Financiën. Gaarne ontvang ik nadere aanwijzingen ten aanzien van de door U meest gewenst geachte gedragslijn.
(J. Tinbergen)
VERTROUWELIJK
Nederland en de onderontwikkelde landen
Het vraagstuk van de onderontwikkelde landen wordt geleidelijk een van de belangrijkste waarvoor de wereld zich geplaatst ziet. Het volgt thans in belangrijkheid reeds onmiddellijk op het vraagstuk van oorlog en vrede en is er bovendien nauw mee verbonden, omdat het lot van de onderontwikkelde landen daarbij een punt van grote betekenis uitmaakt. Materieel is weliswaar het verschijnsel van de lage levensstandaard die deze landen vertonen in vergelijking tot die van andere landen niet zo verschillend van wat gedurende vele decennia, om niet te zeggen eeuwen, het geval was: deze verschillen bestaan reeds lang. In de laatste tijd is er echter een neiging tot steeds verdere divergentie, omdat aan de ene kant de hoog-ontwikkelde landen zich sneller gaan ontwikkelen en er aan de andere kant in verschillende minder ontwikkelde landen een zekere stagnatie optreedt. En vooral politiek ligt het vraagstuk veel slechter dan voorheen. De algemene nationale bewustwording en het toenemende verkeer maken de tegenstellingen steeds duidelijker, die bovendien begrijpelijkerwijze door de communistische propaganda worden beklemtoond.
In West-Europa heeft het vraagstuk nog een speciale vorm; het gaat daarbij voornamelijk om Italië, dat na een aanvankelijke stabilisatie thans opnieuw, door zijn eigenschap van onderontwikkeld te zijn in een bijzonder moeilijke positie begint te komen. Onder de druk van de omstandigheden is men ten langen leste op grotere schaal in het zuiden gaan investeren, waardoor nu echter, ondanks de orthodoxe financiële politiek die men ettelijke jaren heeft gevoerd, opnieuw tekorten op de betalingsbalans zijn ontstaan die welhaast onvermijdelijk zijn.
Wanneer in het hiernavolgende een poging wordt gedaan om een bijdrage te leveren in de richting van een oplossing van bedoeld vraagstuk, dan geschiedt dat niet slechts op grond van het inzicht dat de toestand voor de onderontwikkelde gebieden zeer moeilijk is. Het geschiedt evenzeer uit de overtuiging dat het belang der ontwikkelde landen op den duur daarmede verbonden is. Deze laatste dreigen steeds meer in een politiek isolement te geraken en men zou van de noodzaak ener verzekering tegen ongevallen kunnen spreken.
Er bestaat vrijwel overeenstemming van inzicht bij alle betrokken deskundigen, dat de enige mogelijkheid om aan de divergentie der levensstandaarden een halt toe te roepen en deze tot een convergentie om te buigen ligt in belangrijke investeringen in en technische en bedrijfseconomische opvoeding van de betrokken landen. Daarnaast is er sprake van een bevolkingsvraagstuk, hetgeen reeds in sommige dezer landen wordt ingezien. Tracht
227 D'54
-2-
men zich een denkbeeld te vormen van de omvang van de noodzakelijke middelen, dan blijkt het dat, wil men inderdaad binnen afzienbare termijn iets bereiken, het gaat om bedragen van de orde van grootte van $ 5 - 10 mld per jaar. Wat op dit moment wordt gedaan, wordt geschat op een omvang van $ 2 mld per jaar. Opheffing van dit investeringstekort door de onderontwikkelde gebieden zelf is uitgesloten; evenzeer de overbrugging door particuliere investeringen alleen. Het gaat hier in belangrijke mate om investeringen die geen onmiddellijk in geld te realiseren rendement zullen opleveren. Het kan zelfs betwijfeld worden of de vorm van leningen door internationale lichamen te verstrekken aan nationale regeringen de meest doelmatige vorm is. Waarschijnlijk is een aanmerkelijk logischer oplossing het à fonds perdu verstrekken via een internationaal budget van een aanmerkelijk deel der benodigde bedragen. Dit zou betekenen dat voor geruime tijd een overdracht van middelen van meer ontwikkelde naar minder ontwikkelde gebieden zou plaats vinden. De analogie met de wijze waarop de afzonderlijke landen het sociale vraagstuk hebben behandeld dringt zich hier op: ook daar overdracht van middelen van de economisch sterkeren naar de economisch zwakkeren. Er is alle aanleiding deze in de binnenlandse politiek aanvaarde gedachte ook toe te passen in de buitenlandse politiek. De tegenstellingen tussen de landen zijn krasser dan die binnen de landen. De verdeling van de gemiddelde inkomens per land is aanmerkelijk ongelijker dan de verdeling van de inkomens binnen één land. Bovendien is het zeer de vraag of de verschillen tussen de inkomens der landen aan verschillen in bekwaamheid e.d. kunnen worden toegeschreven, zoals t.a.v. de inkomensverschillen binnen één land voor een belangrijk gedeelte geldt. Kunstmatige belemmeringen in de beweging van mensen en kapitalen spelen hier waarschijnlijk een veel grotere rol.
Wil het Westen ook maar enigermate de politieke leiding behouden, dan zal het moeten tonen dat het zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van de vrije wereld ernstig neemt. De grote gedachte van het Marshall-plan moet opnieuw in toepassing worden gebracht. Terwijl de communisten omvangrijke programma's hebben ter verhoging van de levensstandaard van de landen die onder hun politieke zeggingsschap geraken, ontbreekt een enigszins grootse conceptie die daarmee te vergelijken is in het Westen grotendeels. Men heeft er eerder de neiging om achter de eisen van de onderontwikkelde landen aan te lopen dan te trachten de eisen van de tijd vooruit te begrijpen.
De tegenwerping wordt vaak gehoord, dat eigenlijk het knelpunt bij dit gehele proces niet ligt bij de bereidheid van de Westerse landen om investeringsmiddelen
227 D'54
-3-
ter beschikking te stellen, doch in het feit dat in de onderontwikkelde landen zelf ofwel de programma's ontbreken of in het bijzonder ook de mensen die bij de uitvoering nodig zijn; met name de mensen op een middelbaar technisch, administratief en commercieel niveau. Voor degenen voor wie de ontwikkeling dezer landen inderdaad het eigenlijke doel is, kan echter uit de hier aangehaalde feiten slechts de conclusie getrokken worden dat dus activiteiten op het gebied van de planning en de vorming nodig zijn, die opnieuw geld kosten en dat dus ook daar het knelpunt wel degelijk mede dat der financiële middelen is. Een kleine illustratie dat het vaak slechts rechtstreeks om de middelen gaat is het feit, dat de bijdrage van Nederland aan UNICEF (het "Kinderfonds" der UN) in internationaal verband te laag geacht wordt. Er zijn meerdere voorbeelden aan te halen. De voorbeelden hebben uiteraard niet slechts op Nederland betrekking.
Het hierboven kort in de herinnering geroepen vraagstuk is na enkele aanvankelijke acties in een bijzonder moeilijke faze gekomen door de geringe medewerking van de Verenigde Staten aan SUNFED. Het is toe te juichen dat de Nederlandse delegatie in de UN deze houding niet heeft gesteund, doch integendeel getracht heeft verzoenend op te treden en een positieve weg in te slaan. Deze positieve weg moet verder vervolgd worden. De Regering zal hier uiteraard slechts kunnen handelen indien zij weet, dat er ook in het Nederlandse volk krachten aanwezig zijn die dit streven steunen en daarvoor pleiten. In dit verband mag er op gewezen worden dat naar het voorbeeld van de volksinzameling in Noorwegen in Nederland twee soortgelijke initiatieven, onderling nog enigszins verschillend, in uitvoering zijn. Er behoeft niet aan getwijfeld te worden dat grote groepen van de Nederlandse bevolking niet alleen de Regering zullen begrijpen indien zij verdere stappen doet, doch binnenkort van de Regering zullen vragen deze stappen te doen. De grote bedragen die van alle zijden bijeengebracht zijn ter gelegenheid van de rampen in 1953 zijn er een aanwijzing voor, dat vele zich deze bedragen willen getroosten als er slechts een initiatief wordt genomen dat van fantasie getuigt.
Waar het om gaat is dat niet slechts woorden doch daden en daden met een zekere minimum omvang nodig zijn om het noodzakelijke proces in gang te zetten. Om de gedachten te bepalen wordt hier gesteld, dat Nederland bereid moet zijn een bedrag van de orde van ƒ 100 mln per jaar, voorlopig voor drie jaar, beschikbaar te stellen voor de hierboven beschreven doeleinden; hieraan bekendheid moet geven en besprekingen moet voeren
227 D'54
-4-
met een aantal andere Westerse landen teneinde te geraken tot soortgelijke stappen aldaar. Het bedrag zou ofwel beschikbaar gesteld kunnen worden voor SUNFED ofwel gedeeltelijk voor SUNFED en gedeeltelijk voor andere instellingen, waaronder b.v. het zojuist genoemde UNICEF. Dit betekent dus dat SUNFED aanmerkelijk groter zou worden opgezet dan aanvankelijk is besloten. Een gedeelte zou binnen Europa aangewend kunnen worden, waarover in par. 6 nog enkele nadere suggesties worden gedaan. Het bedrag zou eventueel gedeeltelijk kunnen worden gebonden aan een besteding binnen de groep van landen die het ter beschikking stellen. Een iets andere vorm, die vrijwel op hetzelfde zou neerkomen, zou zijn dat een gedeelte van het bedrag beschikbaar gesteld zou kunnen worden in de vorm van surplus-voorraden.
Het vraagstuk van de surplus-voorraden kan namelijk, zoals nadere bestudering aantoont, slechts een zinvolle en uitvoerbare oplossing vinden, indien de koopkracht van de onderontwikkelde landen wordt verhoogd. Iedere andere vorm van het "spuien" van deze voorraden levert grote organisatiemoeilijkheden op. Ofschoon dus het bovenstaande niet in de eerste plaats gedacht is als een oplossing voor het vraagstuk van de surplus-voorraden van landbouwproducten, is het niettemin zo dat dit vraagstuk moeilijk op een andere wijze opgelost kan worden (en overigens dan nog slechts gedeeltelijk) dan langs de weg hierboven aangegeven.
Het is niet uitgesloten en zelfs niet onwaarschijnlijk dat de ontwikkelde landen binnen afzienbare tijd het investeringsproces in onderontwikkelde landen zeer goed zullen kunnen gebruiken ter ondersteuning van hun conjunctuur. Er zijn tekenen van stagnatie in de particuliere investeringen, die slechts daarom niet opvalt omdat de publieke investeringen nog zeer hoog zijn.
Toepassing van de hierboven aangegeven denkbeelden is niet slechts op wereldschaal noodzakelijk, doch evenzeer binnen de kring der West-Europese landen en het zou zeker van gebrek aan gevoel voor proporties getuigen, indien men niet een gedeelte van het beschikbare bedrag in die zin zou aanwenden. De argumenten onder 1. en 2. aangevoerd, zijn voor een gedeelte ook toepasselijk op het vraagstuk van de ontwikkeling van Zuid-Italië. Ten aanzien van de Europese samenwerking geldt ook, dat indien men hier zijn verantwoordelijkheid wil inzien en een politiek wil uitstippelen die enigermate van visie getuigt, het nodig zal zijn dat het vraagstuk van de ontwikkeling van Zuid-Italië gezien wordt als een "urgent internationaal vraagstuk van investeringen". Met deze termen is het ook gekwalificeerd in het rapport van de conjunctuur-deskundigen, die einde April 1954 door de O.E.E.C. te Parijs zijn samengebracht.
227 D'54
-5-
Er is ook een zeker verband met de Europese integratie-politiek in het algemeen. Men mag stellen dat ook de integratie van Europa, waarvan op den duur de positie van ons werelddeel afhankelijk zal blijken, in een impasse verkeert. Het merendeel der in de laatste jaren genomen initiatieven is vastgelopen. Ten aanzien van de enige geïntegreerde sector, die van de kolen en het staal, tekenen zich ernstige vraagstukken af. Het besef dringt door dat de toekomst van de kolensector zeer weinig expansie belooft en dat die van de staalsector zeer afhankelijk is van de algemene investeringsbedrijvigheid in en buiten Europa, welke deze sector zelf niet in de hand heeft. De strategische beslissingen ten aanzien van de investeringen liggen precies in de hiervoor aangeduide omgeving. Ook om deze reden moet initiatief ten aanzien van de internationale investeringen een der belangrijkste instrumenten van economisch beleid zijn.
Te overwegen ware binnen de O.E.E.C. opnieuw besprekingen te openen over het stichten van een gemeenschappelijk orgaan, het Europese Ontwikkelingsfonds, waarvan de functies zouden kunnen zijn:
a. het bijeenbrengen van financiële middelen;
b. het aanwijzen van prioriteiten betreffende de uitvoering van ontwikkelingsprojecten in de aangesloten landen;
c. het toewijzen van middelen;
d. toezicht op de besteding der middelen.
Als Nederlandse bijdrage ware een gedeelte van het bedrag van ƒ 100 mln, hierboven genoemd, b.v. ƒ 20 mln aan te bieden.
Samenvattend wordt derhalve voorgesteld dat Nederland de impasses ten aanzien van het vraagstuk der onderontwikkelde landen en van de Europese integratie tracht te doorbreken door zijn bereidheid te verklaren een voor zijn doen aanzienlijk bedrag ter beschikking te stellen, onder het beding dat andere ontwikkelde landen dit voorbeeld volgen en dit bedrag gedeeltelijk ter beschikking van SUNFED stellen, gedeeltelijk ter beschikking van een te stichten Europees Fonds, en/onderhandelingen opent betreffende de te verkrijgen contraprestaties der onderontwikkelde gebieden. Deze zouden kunnen liggen in een gedeeltelijke besteding der bedragen in de landen van herkomst en, voor wat de Europese landen betreft, in tariefconcessies. Daarnaast moet aan het bedrag echter ook het karakter van een verzekeringspremie worden toegekend.
/dat Neder-land
227 D'54
-
en
124 D/T VOS 5 June 4
PERSONAL
His Excellency the Minister of Economic Affairs, Bezuidenhout 30, The Hague
In accordance with my promise, I hereby send you a first draft of a memorandum concerning a Dutch initiative with regard to underdeveloped countries. Given the initially political nature of the document, I am sending it to you without any official consultation having taken place yet; there is no point in opening this up if you do not in principle feel for a step as indicated here. However, in accordance with our conversation, I have had the opportunity to speak with Minister Mansholt about this matter and have therefore also sent him a copy. I would gladly have your permission, if you can agree with the principle of the idea, to send a copy to a number of senior officials of the Ministries of Economic Affairs and of Foreign Affairs as well as of Agriculture, Fisheries and Food Supply and of Finance. I gladly receive further instructions regarding the line of conduct you consider most desirable.
(J. Tinbergen)
CONFIDENTIAL
The Netherlands and the underdeveloped countries
The issue of the underdeveloped countries is gradually becoming one of the most important ones facing the world. It now ranks in importance immediately after the issue of war and peace and is moreover closely connected to it, because the fate of the underdeveloped countries constitutes a point of great significance in this. Materially, the phenomenon of the low standard of living that these countries exhibit in comparison to that of other countries is indeed not so different from what was the case for many decades, not to say centuries: these differences have existed for a long time. Recently, however, there has been a tendency towards ever further divergence, because on the one hand the highly developed countries are developing faster and on the other hand a certain stagnation is occurring in various less developed countries. And politically in particular, the issue is much worse than before. The general national awareness and the increasing traffic make the contrasts ever clearer, which are moreover understandably emphasized by communist propaganda.
In Western Europe the issue takes on a special form; it mainly concerns Italy, which after an initial stabilization is now again beginning to find itself in a particularly difficult position due to its characteristic of being underdeveloped. Under the pressure of circumstances, investments have finally been made on a larger scale in the south, as a result of which, however, despite the orthodox financial policy that has been pursued for several years, deficits on the balance of payments have once again arisen that are almost inevitable.
When an attempt is made in the following to make a contribution towards solving the aforementioned issue, this is not only done on the basis of the understanding that the situation for the underdeveloped regions is very difficult. It is equally done out of the conviction that the interest of the developed countries will eventually be bound up with it. The latter threaten to become increasingly politically isolated and one could speak of the necessity of an insurance against accidents.
There is almost complete agreement of insight among all experts involved that the only possibility to halt the divergence of the standards of living and bend it towards a convergence lies in significant investments in and technical and business economic education of the countries concerned. In addition, there is a population issue, which is already being recognized in some of these countries. If one tries
227 D'54
-2-
to form an idea of the scope of the necessary resources, it appears that, if one indeed wants to achieve something within the foreseeable future, it involves amounts on the order of magnitude of $ 5 - 10 billion per year. What is being done at this moment is estimated at a scope of $ 2 billion per year. Eliminating this investment shortfall by the underdeveloped regions themselves is ruled out; equally so is bridging it through private investments alone. This largely concerns investments that will not immediately yield a return that can be realized in money. It can even be doubted whether the form of providing loans through international bodies to national governments is the most effective form. Probably a considerably more logical solution is to provide à fonds perdu (non-repayable grants) via an international budget for a considerable part of the required amounts. This would mean that for quite some time a transfer of resources from more developed to less developed regions would take place. The analogy with the way in which the individual countries have dealt with the social issue imposes itself here: there too, a transfer of resources from the economically stronger to the economically weaker. There is every reason to also apply this concept, accepted in domestic policy, to foreign policy. The contrasts between the countries are sharper than those within the countries. The distribution of average incomes per country is considerably more unequal than the distribution of incomes within a single country. Moreover, it is highly questionable whether the differences between the incomes of the countries can be attributed to differences in competence, etc., as is the case for a significant part regarding income differences within one country. Artificial barriers to the movement of people and capital probably play a much larger role here.
If the West wants to retain political leadership to any extent, it will have to show that it takes its responsibility regarding the free world seriously. The great idea of the Marshall Plan must be applied again. While the communists have extensive programs to raise the standard of living of the countries that come under their political control, an even slightly grand conception comparable to that is largely lacking in the West. There is a tendency to run after the demands of the underdeveloped countries rather than trying to understand the demands of the time ahead of them.
The objection is often heard that the bottleneck in this entire process does not actually lie in the willingness of the Western countries to make investment funds
227 D'54
-3-
available, but in the fact that in the underdeveloped countries themselves either the programs are lacking or, in particular, the people needed for the execution are also lacking; specifically people at an intermediate technical, administrative, and commercial level. For those for whom the development of these countries is indeed the actual goal, however, the only conclusion that can be drawn from the facts cited here is that activities in the field of planning and training are therefore necessary, which again cost money, and that therefore the bottleneck there too is indeed partly that of the financial resources. A small illustration that it often directly concerns the resources is the fact that the contribution of the Netherlands to UNICEF (the "Children's Fund" of the UN) in an international context is considered too low. Several examples can be cited. The examples naturally do not apply solely to the Netherlands.
The issue briefly recalled above has, after some initial actions, entered a particularly difficult phase due to the limited cooperation of the United States in SUNFED. It is to be welcomed that the Dutch delegation to the UN has not supported this attitude, but on the contrary has tried to act conciliatorily and to take a positive path. This positive path must be pursued further. The Government will of course only be able to act here if it knows that there are also forces present in the Dutch population that support this striving and advocate it. In this context, it may be pointed out that following the example of the public fundraising in Norway, two similar initiatives, still somewhat different from each other, are underway in the Netherlands. There need be no doubt that large groups of the Dutch population will not only understand the Government if it takes further steps, but will soon ask the Government to take these steps. The large amounts raised from all sides on the occasion of the disasters in 1953 are an indication that many are willing to afford these amounts if only an initiative is taken that demonstrates imagination.
What matters is that not only words but deeds, and deeds of a certain minimum scope, are needed to set the necessary process in motion. In order to define the thoughts, it is stated here that the Netherlands must be prepared to make an amount on the order of ƒ 100 million per year, provisionally for three years, available for the purposes described above; must publicize this and must conduct discussions
227 D'54
-4-
with a number of other Western countries in order to arrive at similar steps there. The amount could either be made available for SUNFED or partly for SUNFED and partly for other institutions, including e.g. the just mentioned UNICEF. This thus means that SUNFED would be set up considerably larger than was initially decided. A part could be used within Europe, regarding which some further suggestions are made in par. 6. The amount could possibly be partly tied to being spent within the group of countries making it available. A slightly different form, which would virtually come down to the same thing, would be that a part of the amount could be made available in the form of surplus stocks.
The issue of surplus stocks can namely, as closer study shows, only find a meaningful and feasible solution if the purchasing power of the underdeveloped countries is increased. Any other form of "dumping" these stocks causes great organizational difficulties. Although the above is thus not primarily intended as a solution to the issue of the surplus stocks of agricultural products, it is nevertheless the case that this issue can hardly be solved in another way (and moreover then only partially) than along the path indicated above.
It is not excluded and even not unlikely that the developed countries will within the foreseeable future be able to use the investment process in underdeveloped countries very well to support their business cycle. There are signs of stagnation in private investments, which only goes unnoticed because public investments are still very high.
Application of the ideas indicated above is not only necessary on a global scale, but equally within the circle of the Western European countries, and it would certainly testify to a lack of sense of proportion if one were not to use a part of the available amount in that sense. The arguments put forward under 1. and 2. are partly also applicable to the issue of the development of Southern Italy. With regard to European cooperation, it also applies that if one wants to recognize one's responsibility here and wants to map out a policy that shows some degree of vision, it will be necessary that the issue of the development of Southern Italy is seen as an "urgent international issue of investments". It was also qualified in these terms in the report of the business cycle experts, which was compiled at the end of April 1954 by the O.E.E.C. in Paris.
227 D'54
-5-
There is also a certain connection with European integration policy in general. One may state that the integration of Europe, on which the position of our continent will ultimately depend, is also at a standstill. Most of the initiatives taken in recent years have run aground. With regard to the only integrated sector, that of coal and steel, serious issues are emerging. The realization is growing that the future of the coal sector promises very little expansion and that of the steel sector is very dependent on the general investment activity in and outside Europe, which this sector itself does not control. The strategic decisions regarding investments lie precisely in the environment indicated above. Also for this reason, initiative with regard to international investments must be one of the most important instruments of economic policy.
It would be worth considering opening discussions again within the O.E.E.C. on the establishment of a joint body, the European Development Fund, whose functions could be:
a. the raising of financial resources;
b. the designation of priorities regarding the execution of development projects in the affiliated countries;
c. the allocation of resources;
d. supervision of the expenditure of the resources.
As a Dutch contribution, a part of the amount of ƒ 100 million mentioned above, e.g. ƒ 20 million, could be offered.
In summary, it is therefore proposed that the Netherlands attempts to break through the impasses regarding the issue of the underdeveloped countries and of European integration by its willingness to declare a for its standards considerable amount available, on the condition that other developed countries follow this example and make this amount partly available to SUNFED, partly available to a European Fund to be established, and/or opens negotiations regarding the counter-performances to be obtained from the underdeveloped regions. These could lie in a partial spending of the amounts in the countries of origin and, as far as the European countries are concerned, in tariff concessions. In addition, however, the amount must also be assigned the character of an insurance premium.
/that Nether-lands
227 D'54
-
annexCount
-
1