-
Title
-
Letter to Sam de Back
-
Recipient
-
Back, Sam de
-
Date
-
1968
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR_E.1.4-59
-
1643
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM1643_NL-RtEUR_TBCOR_E.1.4-59.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
P.T. 4K
16 mei 1968
De heer Sam de Back, Weissenbruchstraat 328, Den Haag.
Beste Sam,
In je tweede brief heb je wel heel duidelijk in 't licht gesteld dat ook onze maatschappij haar ernstige problemen heeft. Weliswaar zijn onze problemen heel andere dan de problemen van het grootste deel van de wereld, waar de armoede zo overweldigend heerst. Toch zijn onze vraagstukken ook voor die anderen in zoverre van belang, dat zij naar ons en naar de Oost-Europese landen kijken om hun eigen problemen opgelost te krijgen. En ofschoon zij in onze geschiedenis heel wat kunnen vinden dat doet zien hoe men welvaart en een zekere vrijheid kan veroveren, vragen zij zich terecht toch ook wel af of zij ons in alle opzichten moeten volgen. Ik geloof ook niet dat we hun dat moeten aanraden. Behalve dat ze ook enkele goede lessen kunnen leren uit wat er in Oost-Europa gebeurt (en waarschijnlijk uit de Chinese ervaringen, maar daarover is weinig precies bekend), moeten zij toch ook een aantal elementen van hun eigen kultuur trachten te bewaren. In verschillende opzichten is die menselijk hoogstaand en aantrekkelijk - en soms ook nog een kracht tot verdere ekonomische ontwikkeling. Zo is de eenvoud van de Japanse interieurs of van de leer van Gandhi zowel mooi als ook nog een faktor tot ontwikkeling: zij bevordert de spaarzaamheid. De prachtige Japanse en Chinese tekenkunst is onovertroffen; de aandacht voor andere levende wezens die de Hindoe vraagt heeft velen van ons wat te leren. Aan de andere kant kennen hun maatschappijen meedogenloze behandeling van armen of zieken, die zij maar beter moesten omzetten in Christelijke deugden, maar dan de ware.
De verstoring van het algehele ecologische evenwicht, waarover je schrijft, is niet alleen een grote bedreiging bij ons, maar misschien ook wel het gemeenschappelijke probleem van de maatschappij van het noorden zelf en van de verhouding tussen Noord en Zuid. Ook tussen de welvaart van verschillende delen van de wereld moet een zeker evenwicht bestaan om geen ongelukken te maken. Beide problemen vragen om een meer bewuste, dat is hetzelfde als planmatige, aanpak: wij moeten weten wat wij "van plan" zijn. In dat opzicht zijn wij bezig van het Oosten te leren - terwijl zij andere dingen van ons kunnen leren.
Nu wordt er al wel op vele fronten gewerkt aan de oplossing van het probleem van de armoede van het Zuiden en aan de verbetering van de Noord-Zuid verhouding. Er wordt in een aantal ontwikkelingslanden al aanzienlijke vooruitgang geboekt. Ik denk aan landen als Zuid-Korea, Taiwan, Pakistan, Turkije of Mexico, om er maar enige te noemen. De vooruitgang in het totale nationale inkomen is daar hoger, percentsgewijze, dan bij ons. Er worden nieuwe landbouwmethoden toegepast - de Mexicaanse tarwe maakte, tezamen met pompen en kunstmest, een zegetocht door Pakistan, die zich aan het uitbreiden is over Turkije en delen van India. Er worden nieuwe industrieën gevestigd, er worden mensen opgeleid en in verschillende delen van de wereld rivierdalen nieuw uitgerust: ik denk aan de Niger, de Euphraat of de Mekong - ondanks de oorlog in Vietnam.
Een netwerk van internationale instellingen en van bilaterale kontakten tussen een ontwikkeld en een ontwikkelingsland houdt zich bezig met velerlei aktiviteiten. Ik denk aan het stelsel van de Verenigde Naties, met de Wereldbankgroep, de FAO (Voedsel- en Landbouworganisatie), het Internationaal Arbeidsbureau, de UNIDO (de Industriële Ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties), de UNESCO (de Organisatie op het gebied van opleiding, wetenschap en kultuur) en nog ettelijke andere. Ik denk ook aan verschillende interamerikaanse organisaties, aan de Europese Ekonomische Gemeenschap en de Organisatie voor Ekonomische Samenwerking en Ontwikkeling. Vele landen en ook vele bedrijven doen opbouwend werk in ontwikkelingslanden. Het belang van het werk der bedrijven is dat zij de mensen op het werk zelf de kunst leren van goed werken.
Een der meest bekende samenvattende cijfers die de omvang van deze aktiviteiten aangeeft is het cijfer van de financiële overdrachten van de westerse rijke aan de arme landen, zowel openbare als partikuliere, die, na aftrek van de terugbetalingen op oudere leningen, zo'n $ 11 miljard bedragen. Voor een totaal inkomen van de ontwikkelingslanden (behalve China) van zo'n $ 200 miljard is dat een niet te verwaarlozen bedrag, vooral als je het vergelijkt met wat deze landen zelf besteden aan de uitbreiding en verbetering van hun produktieapparaat, nl. ca $ 30 miljard. Weliswaar betalen de arme landen enkele miljarden dollars terug aan rente en winsten, die van bovenstaande $ 11 miljard niet zijn afgetrokken.
Toch is het niet genoeg en het is ook maar een heel klein deel van het inkomen van de "rijke" landen dat ca $ 1200 miljard of wat meer bedraagt. Het is nog niet de beroemde 1 % waarover al zo lang wordt gesproken. Dat het niet genoeg is blijkt uit het feit dat het tempo van de gezamenlijke arme landen nog niet de 5 % toeneming per jaar bedraagt; per hoofd nog niet 2,5 % of enkele dollars per persoon per jaar, tegenover zo'n $ 50 per jaar per persoon voor de rijke landen. De afstand vergroot zich dus nog steeds.
Men heeft in 1961 het zogenaamde Ontwikkelingsdecennium uitgeroepen; dat is gebeurd in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Het doel was om tot een stijging te komen van 5 % van de inkomens - in goederen gemeten, dus na aftrek van prijsstijgingen - en dat is dus niet geheel gehaald. Bovendien was het als doel te bescheiden. Er is daarom meer en meer druk uitgeoefend door de ontwikkelingslanden om tot een krachtiger ontwikkelingspolitiek, in samenwerking tussen alle landen, te komen. Dat is in verschillende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties tot uitdrukking gekomen; tot nu toe het duidelijkst in resolutie 2218 van december 1966. Daarin wordt aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gevraagd om, na beraad met alle betrokken organisaties in het systeem der Verenigde Naties, met voorstellen te komen omtrent een strategie voor een gezamenlijke ontwikkelingspolitiek voor de jaren zeventig. Bovendien hebben enige der gespecialiseerde organisaties op hun eigen gebied initiatieven genomen om te komen tot een program voor de toekomst. De FAO is van plan in 1969 te komen met een Indicatief Wereldplan voor de landbouw. Het Internationale Arbeidsbureau wil, eveneens in 1969, komen met een program tot het bevorderen van de werkgelegenheid. Beide onderwerpen zijn van uitzonderlijk belang voor de ontwikkelingslanden.
Er wordt nu hard gewerkt aan een coördinatie van al deze werkzaamheden, zodat voor de jaren zeventig een goed op elkaar afgestemde aktiviteit van alle organisaties van de Verenigde Naties kan worden ontwikkeld. Een raadgevende wetenschappelijke taak heeft daarbij het Comité voor ontwikkelingsplanning, dat juist zijn derde zitting heeft gehad in Addis Abeba, van 29 april - 10 mei jl. Men hoopt dat gezamenlijk kan worden gewerkt aan een declaratie die de Algemene Vergadering van 1970 zou worden voorgelegd, waarin een aantal elementen, en hun omvang, van de strategie zal worden aangekondigd. Veel onderzoek is nog nodig om precies te weten wat mogelijk is.
Intussen is de bereidheid van de bevolking der rijke landen en hun regeringen om hun bijdrage tot een dergelijke politiek te verrichten op het ogenblik maar gering. Dat is gebleken uit de povere resultaten van de Tweede Zitting, in New Delhi, van de zgn. UNCTAD, oftewel de Wereldhandelsconferentie. Ook daar is nl. een "globale ontwikkelingsstrategie" aan de orde geweest en is weliswaar op een aantal punten vooruitgang gemaakt, doch op vele andere punten geen bereidheid gebleken om zich duidelijk te binden tot het verrichten van de gevraagde bijdragen. Zo is wel aanvaard, dat men 1 % van het bruto-nationaal-produkt zal overdragen, maar over de datum waarop dat moest beginnen, is men niet tot afspraken kunnen komen. Er is in beginsel aanvaard dat er minder belemmeringen zullen worden in de weg gelegd voor de uitvoer van industrieprodukten uit de ontwikkelingslanden naar de ontwikkelde landen, maar over bepaalde kategorieën van industrieprodukten (bewerkte landbouwprodukten) is men dat nog niet eens geworden. Er is wel afgesproken dat voor een aantal, zgn. primaire produkten (dat zijn land- of mijnbouwprodukten in onbewerkte staat) overeenkomsten zullen worden afgesloten, maar geen enkele andere toezegging is gedaan dan over de datums waarop men weer zal gaan onderhandelen. Zo zou ik kunnen voortgaan. Waar het op aankomt is inderdaad dat de politieke wil bij de bevolkingen en regeringen der rijke landen ontbreekt. Men heeft dan allerlei uitvluchten daarvoor; bv. dat men zelf moeilijkheden heeft en dat de arme landen zelf niet genoeg doen. Dit laatste is juist en in de toekomst zal ook van hen moeten worden verlangd dat zij een aantal dingen beter doen. Doch het beroep op de eigen moeilijkheden is, menselijk gesproken, inderdaad een uitvlucht. Als men ziet hoe dicht bij de dood zeer velen in de arme landen leven, kan men niet zeggen dat onze problemen daarmee te vergelijken zijn. Voor de meesten in onze landen zijn de vragen of we een televisietoestel zullen kopen of vervangen en of we f. 100,- meer of minder aan onze vakantie zullen besteden. Zulke kwesties zinken in het niet bij de ellende bij velen in de ontwikkelingslanden.
Daarmee wil ik volstrekt niet zeggen dat wij niet ook onze armoedeproblemen hebben. Die moeten worden aangevat. Maar niet ten koste van de hulp aan ontwikkelingslanden. Ten koste van een beetje langzamer vooruitgang van de velen onder ons die in de laatste vijf jaar een auto hebben gekocht of een mooie vakantiereis hebben gemaakt, of ten koste van wat minder mooie gebouwen voor een ministerie, een bank, een hogeschool of een fabriek. Het kan wel wat zuiniger op ettelijke punten in ons bestaan!
Hartelijke groeten!
-
en
P.T. 4K
May 16, 1968
Mr. Sam de Back, Weissenbruchstraat 328, The Hague.
Dear Sam,
In your second letter, you have very clearly highlighted that our society also has its serious problems. Admittedly, our problems are very different from the problems of the greater part of the world, where poverty reigns so overwhelmingly. Yet our issues are also of importance to those others in so far as they look to us and to the East European countries to get their own problems solved. And although they can find quite a lot in our history that shows how one can conquer prosperity and a certain freedom, they rightly wonder whether they should follow us in all respects. I also do not believe that we should advise them to do so. Besides the fact that they can also learn some good lessons from what is happening in East Europe (and probably from the Chinese experiences, but little precise is known about that), they must nevertheless also try to preserve a number of elements of their own culture. In various respects, it is humanly superior and attractive - and sometimes also a force for further economic development. For example, the simplicity of Japanese interiors or of Gandhi's teachings is both beautiful and also a factor for development: it promotes thrift. The beautiful Japanese and Chinese drawing art is unsurpassed; the attention to other living beings that the Hindu asks has something to teach many of us. On the other hand, their societies know ruthless treatment of the poor or the sick, which they had better convert into Christian virtues, but then the true ones.
The disruption of the overall ecological balance, about which you write, is not only a great threat to us, but perhaps also the common problem of the society of the north itself and of the relationship between North and South. Also between the prosperity of different parts of the world, a certain balance must exist in order not to cause accidents. Both problems require a more conscious, which is the same as planned, approach: we must know what we are "planning". In that respect, we are busy learning from the East - while they can learn other things from us.
Now work is already being done on many fronts to solve the problem of poverty in the South and to improve the North-South relationship. Significant progress is already being made in a number of developing countries. I am thinking of countries like South Korea, Taiwan, Pakistan, Turkey, or Mexico, to name but a few. The progress in total national income is higher there, percentage-wise, than with us. New agricultural methods are being applied - Mexican wheat, together with pumps and fertilizer, made a triumphal march through Pakistan, which is expanding over Turkey and parts of India. New industries are being established, people are being trained, and in various parts of the world, river valleys are being newly equipped: I am thinking of the Niger, the Euphrates, or the Mekong - despite the war in Vietnam.
A network of international institutions and bilateral contacts between a developed and a developing country is engaged in many activities. I think of the United Nations system, with the World Bank Group, the FAO (Food and Agriculture Organization), the International Labour Office, UNIDO (the United Nations Industrial Development Organization), UNESCO (the Organization for education, science, and culture), and many others. I also think of various Inter-American organizations, the European Economic Community, and the Organization for Economic Cooperation and Development. Many countries and also many companies do constructive work in developing countries. The importance of the work of the companies is that they teach people on the job itself the art of working well.
One of the most well-known summary figures indicating the scale of these activities is the figure for financial transfers from the western rich to the poor countries, both public and private, which, after deducting repayments on older loans, amount to about $11 billion. For a total income of the developing countries (excluding China) of about $200 billion, that is a non-negligible amount, especially when you compare it with what these countries themselves spend on expanding and improving their production apparatus, namely about $30 billion. Admittedly, the poor countries pay back several billion dollars in interest and profits, which have not been deducted from the above $11 billion.
Yet it is not enough, and it is also only a very small part of the income of the "rich" countries, which amounts to about $1200 billion or more. It is not yet the famous 1% that has been talked about for so long. That it is not enough is evident from the fact that the pace of the collective poor countries does not yet reach the 5% increase per year; per capita not yet 2.5% or a few dollars per person per year, compared to about $50 per year per person for the rich countries. The gap is therefore still widening.
In 1961, the so-called Development Decade was proclaimed; that happened in the General Assembly of the United Nations. The goal was to achieve an increase of 5% in incomes - measured in goods, so after deducting price increases - and that has not been fully achieved. Moreover, the goal was too modest. Therefore, more and more pressure has been exerted by the developing countries to arrive at a more powerful development policy, in cooperation between all countries. This has been expressed in various resolutions of the General Assembly of the United Nations; most clearly so far in resolution 2218 of December 1966. In it, the Secretary-General of the United Nations is asked, after consultation with all organizations involved in the United Nations system, to come up with proposals regarding a strategy for a joint development policy for the seventies. In addition, some of the specialized organizations have taken initiatives in their own fields to arrive at a program for the future. The FAO plans to come up with an Indicative World Plan for agriculture in 1969. The International Labour Office also wants to come up with a program to promote employment in 1969. Both subjects are of exceptional importance to the developing countries.
Hard work is now being done on a coordination of all these activities, so that for the seventies, a well-coordinated activity of all organizations of the United Nations can be developed. An advisory scientific task in this regard is held by the Committee for Development Planning, which has just had its third session in Addis Ababa, from April 29 - May 10 last. It is hoped that joint work can be done on a declaration to be submitted to the 1970 General Assembly, in which a number of elements, and their scope, of the strategy will be announced. Much research is still needed to know exactly what is possible.
Meanwhile, the willingness of the population of the rich countries and their governments to contribute to such a policy is currently low. This has been shown by the poor results of the Second Session, in New Delhi, of the so-called UNCTAD, or the World Trade Conference. There, too, a "global development strategy" was discussed, and although progress was made on a number of points, no willingness was shown on many other points to clearly commit to making the requested contributions. For example, it has been accepted that 1% of the gross national product will be transferred, but no agreement could be reached on the date on which that should begin. It has been accepted in principle that fewer barriers will be placed in the way of the export of industrial products from developing countries to developed countries, but no agreement has yet been reached on certain categories of industrial products (processed agricultural products). It has been agreed that for a number of so-called primary products (these are agricultural or mining products in raw state), agreements will be concluded, but no other commitment has been made other than about the dates on which negotiations will resume. I could go on like this. What it comes down to is indeed that the political will among the populations and governments of the rich countries is lacking. People then have all kinds of excuses for this; e.g., that they have difficulties themselves and that the poor countries themselves do not do enough. The latter is true, and in the future, they will also have to be required to do a number of things better. But the appeal to one's own difficulties is, humanly speaking, indeed an excuse. When one sees how close to death very many in the poor countries live, one cannot say that our problems are comparable to that. For most in our countries, the questions are whether we will buy or replace a television set and whether we will spend f. 100 more or less on our holiday. Such issues pale in comparison to the misery of many in the developing countries.
By this, I absolutely do not mean to say that we do not also have our poverty problems. Those must be tackled. But not at the expense of aid to developing countries. At the expense of a little slower progress for the many among us who have bought a car or made a nice holiday trip in the last five years, or at the expense of somewhat less beautiful buildings for a ministry, a bank, a college, or a factory. We could be a bit more frugal on several points in our existence!
Kind regards!