-
Title
-
Letter to M.W. Holtrop
-
Date
-
1950
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR01_013H038
-
3232
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM3232_NL-RtEUR_TBCOR01_013H038.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
PROF. DR J. TINBERGEN DEN HAAG, 3 Februari 1950
Sijzenlaan 41
Aan de Heer Dr M.W. Holtrop, President van de Nederlandse Bank, N.V. Rokin 6, Amsterdam.
Amice,
Voor je brief van 30 Januari jl., betreffende de nota's "Betalingsbalanspolitiek", enz., ben ik je zeer dankbaar.
Zoals ik je al even zeide, is er inmiddels op verzoek van Minister Van den Brink en in samenwerking met de heer Van Traa een nieuwe versie van de nota "Betalingsbalanspolitiek" geschreven, die naar ik hoop in verschillende opzichten duidelijker is. Daarnaast schrijf ik een zuiver wetenschappelijk stuk met de volledige verantwoording.
Een moeilijkheid bij het weergeven van bepaalde economische analyses blijft, dat voor een verbale weergave vrijwel ongeschikt zijn al die gevallen, waarin enige grootheden elkaar simultaan beïnvloeden. Slechts wanneer toevallig het verband zó ligt, dat grootheid 1 onafhankelijk kan worden vastgesteld, daaruit grootheid 2 volgt, hieruit grootheid 3, en zo vervolgens, kan met een gewone redenering een streng bewijs worden gegeven. In de nieuwe versie van mijn nota is dit laatste toegepast op een der (meest belangrijke) gevallen, maar voor de andere is het niet mogelijk.
Ik volg thans je brief op de voet en begin onderaan blz. 1 van de brief, sub II laatste zinsnede:
Deze opmerking is gebaseerd op de waarneming van het gedrag der prijzen in de vóór-oorlogse periode (vgl. "De Nederlandse Conjunctuur", November 1939) en representeert dus een empirische bepaling van de aanbod-elasticiteit, die op 1/2 is gesteld. In tabel 6 is deze coëfficiënt niet opgenomen, omdat hij in alle modellen gelijk is genomen, daar zijn betekenis voor de uitkomsten der berekeningen niet zeer groot bleek te zijn. Deze betekenis zou groot worden, indien wij wederom in een duidelijke inflatoire beweging kwamen.
2.
Bladzijde 2 van je brief: het gestelde sub III.
De opmerking is juist, maar ik meen dat de door mij gekozen definitie van de marginale oppottingsquote de meest doelmatige is. Verduidelijking is natuurlijk mogelijk. Ik geef toe dat de afroming door de overheid op grond van de nominale inkomens geschiedt. Waar ik juist de oppottingsquote zo sterk heb gevarieerd, zonder dat dit in het algemeen mijn conclusies veel heeft beïnvloed, vrees ik geen consequenties hiervan, doch geef gaarne toe dat verfijningen mogelijk zijn. Zelf voel ik ook sterk de noodzaak om ten aanzien van deze samenhang tussen nationale inkomen en nationale uitgaven onderscheid te maken tussen effecten op korte en op lange termijn.
Ten aanzien van het midden van pagina 2 van je brief geldt mijn algemene opmerking vooraf. Je hebt intussen volkomen juist ingezien, dat de berekeningen streven naar uitvoercijfers, die 4% hoger liggen dan de invoercijfers. Dat in tabel 2 bij Model 4 het verschil slechts 3% is, is toe te schrijven aan een afrondings-onnauwkeurigheid.
Bladzijde 3 en 4 van je brief:
Tot nog toe is niet gebleken, dat men fixe coëfficiënten zou kunnen vervangen door variabele, gewoonlijk omdat onvoldoende bekend is omtrent de wijze waarop deze coëfficiënten variëren, terwijl tegelijkertijd bleek, dat men met vaste coëfficiënten de werkelijkheid goed benadert, totdat men dicht bij de toestand van volle bezetting is. Waarschijnlijk komt het hierdoor dat het moment van volle bezetting in verschillende bedrijfstakken niet samenvalt. Het spreekt echter wel vanzelf, dat de formules slechts geldig zijn totdat bij een groot aantal bedrijven de volle bezetting is bereikt. Vandaar dan ook dat inderdaad sommige der berekende toestanden fictief en irreëel zijn. Zulks geldt niet van de toestand die ik uiteindelijk aanbeveel, terwijl mijn verwerping van de andere, voorzover ik kan zien, niet wordt beïnvloed door het feit dat zij ten dele irreëel zijn. Men kan nl. van hen zeggen dat binnen het gebied dat practisch in aanmerking komt, een bevredigende oplossing van het betalingsbalansvraagstuk niet te vinden is. Ik bedoel bv. "indien men de betalings-
3.
balans slechts door loonsverlaging alleen in evenwicht wenst te brengen, is er binnen het practisch daartoe in aanmerking komende interval van de loonsverlagingen geen toestand te vinden, die inderdaad het evenwicht in de betalingsbalans herstelt."
Tabel 4
Het is juist dat de winststijgingen bij de uitvoer veel groter zullen zijn dan elders. De marginale oppottingsquote kan dus wellicht voor deze bijzondere bedrijfstakken groter zijn dan elders. De werkelijk optredende marginale oppottingsquote voor het gehele nationale inkomen kan daardoor een soort gewogen gemiddelde worden, dat anders ligt dan wanneer alle inkomens min of meer gelijkmatig waren gestegen. Hierop is echter eveneens van toepassing mijn opmerking, dat in de verschillende modellen sterk uiteenlopende waarden van deze marginale oppottingsquote zijn aangenomen, doch is het eindresultaat in het bijzonder voor de meest belangrijke gevallen slechts weinig daarvan afhankelijk.
Ook de opmerking dat de prijzen van de exportgoederen feller reageren dan de andere, is juist. Ten aanzien van de reactie der prijzen en van de reactie der export op de prijzen zijn echter eveneens alternatieve veronderstellingen aangenomen, die binnen een vrij wijde speelruimte liggen. Een en ander ter tegemoetkoming aan bezwaren, als door jou hier genoemd. Dit wil intussen niet zeggen, dat nader onderzoek hier niet gewenst zou zijn en wij zijn in feite ook al bezig geweest met een detailonderzoek naar het reageren van de exportprijzen. Het lijkt mij in het algemeen gesproken ook gewenst nog enkele nadere detailonderzoekingen vast te knopen aan een onderzoek als het onderhavige, opdat het als het ware rondom nog wordt verankerd. Het onderhavige rapport mag in zekere zin worden beschouwd als een eerste benadering.
Gaarne dank ik je nog voor de moeite, die je hebt willen nemen, terwijl ik zeker zal profiteren van de voorstellen tot verduidelijking, die je hebt genomen.
Met vriendelijke groeten,
-
en
PROF. DR J. TINBERGEN THE HAGUE, February 3, 1950
Sijzenlaan 41
To Mr. Dr. M.W. Holtrop, President of the Netherlands Bank, N.V. Rokin 6, Amsterdam.
Amice,
I am very grateful to you for your letter of January 30th last, concerning the memos "Balance of Payments Policy", etc.
As I mentioned to you briefly, a new version of the memo "Balance of Payments Policy" has since been written at the request of Minister Van den Brink and in collaboration with Mr. Van Traa, which I hope is clearer in several respects. In addition, I am writing a purely scientific piece with the full justification.
A difficulty in representing certain economic analyses remains that almost all cases in which several quantities influence each other simultaneously are virtually unsuitable for verbal representation. Only when the connection happens to be such that quantity 1 can be determined independently, from which quantity 2 follows, from this quantity 3, and so on, can a rigorous proof be given with ordinary reasoning. In the new version of my memo, the latter has been applied to one of the (most important) cases, but for the others it is not possible.
I am now following your letter closely and starting at the bottom of page 1 of the letter, sub II last sentence:
This remark is based on the observation of the behavior of prices in the pre-war period (cf. "De Nederlandse Conjunctuur", November 1939) and thus represents an empirical determination of the supply elasticity, which is set at 1/2. In table 6 this coefficient is not included because it has been taken as equal in all models, as its significance for the results of the calculations did not appear to be very great. This significance would become great if we were to enter a clear inflationary movement again.
2.
Page 2 of your letter: the statement sub III.
The remark is correct, but I believe that the definition of the marginal hoarding rate chosen by me is the most effective. Clarification is of course possible. I admit that the skimming by the government takes place on the basis of nominal incomes. Since I have varied the hoarding rate so strongly, without this generally having much influence on my conclusions, I fear no consequences from this, but I gladly admit that refinements are possible. I myself also strongly feel the need to distinguish between short-term and long-term effects regarding this connection between national income and national expenditure.
Regarding the middle of page 2 of your letter, my general preliminary remark applies. You have meanwhile correctly realized that the calculations aim for export figures that are 4% higher than the import figures. That in table 2 for Model 4 the difference is only 3% is due to a rounding inaccuracy.
Pages 3 and 4 of your letter:
So far it has not appeared that fixed coefficients could be replaced by variable ones, usually because insufficient is known about the way in which these coefficients vary, while at the same time it appeared that with fixed coefficients one approaches reality well until one is close to the state of full employment. This is probably because the moment of full employment in different industries does not coincide. It goes without saying, however, that the formulas are only valid until full employment is reached in a large number of companies. Hence, indeed, some of the calculated states are fictitious and unreal. This does not apply to the state I ultimately recommend, while my rejection of the others, as far as I can see, is not influenced by the fact that they are partly unreal. One can say of them that within the area that is practically considered, a satisfactory solution to the balance of payments problem cannot be found. I mean for example "if one wishes to bring the balance-
3.
-into equilibrium through wage reduction alone, no state can be found within the practically relevant interval of wage reductions that indeed restores the equilibrium in the balance of payments."
Table 4
It is correct that the profit increases in exports will be much larger than elsewhere. The marginal hoarding rate could therefore perhaps be larger for these specific industries than elsewhere. The actually occurring marginal hoarding rate for the entire national income can therefore become a kind of weighted average, which is different than if all incomes had risen more or less uniformly. However, my remark that strongly diverging values of this marginal hoarding rate have been assumed in the various models also applies here, but the final result, especially for the most important cases, is only slightly dependent on it.
The remark that the prices of export goods react more strongly than others is also correct. Regarding the reaction of prices and the reaction of exports to prices, alternative assumptions have also been adopted, which lie within a fairly wide margin. All this to meet objections as mentioned by you here. This does not mean, however, that further research would not be desirable here, and we have in fact already been busy with a detailed study of the reaction of export prices. Generally speaking, it also seems desirable to link some further detailed studies to a study like the present one, so that it is, as it were, anchored all around. The present report may in a sense be considered a first approximation.
I would like to thank you again for the effort you have been willing to take, while I will certainly benefit from the proposals for clarification you have made.
With kind regards,