-
Title
-
Letter to J.M. den Uyl
-
Date
-
1951
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR01_015V002
-
2314
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM2314_NL-RtEUR_TBCOR01_015V002.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
PROF. DR J. TINBERGEN
DEN HAAG, 12 November 1951
Sijzenlaan 41
164
De Heer Drs J.M. den UYL, Wiardi Beckman Stichting, Tesselschadestraat 31, AMSTERDAM
Amice,
In antwoord op je verzoek tot commentaar op de planhoofdstukken diene dat ik twee stukken heb gelezen, waarvan ik uit enkele woorden van Vos begreep, dat jullie er de meeste belangstelling voor hadden wat mijn commentaar betreft. Hier volgen de desbetreffende korte opmerkingen:
Hoofdstuk II Bezitsverhoudingen.
blz. 14 Zoals je weet ben ik over de productiviteit van genationaliseerde bedrijven wat meer sceptisch en ik vraag mij dan ook af of men de bovenste alinea met wat meer feiten kan waar maken.
blz. 15 laatste alinea boven "Internationalisatie": Verandert dit door socialisatie veel ?
blz. 18 Zou het niet goed zijn er op te wijzen dat bij ordening de contrôle van het bedrijfsleven door de overheid zoveel krachten eist ? (En passant: onoverkomelijk wordt zonder n geschreven.)
blz. 24 Is het wellicht de moeite waard hier het denkbeeld van Meade te vermelden, om het tarief van de successierechten afhankelijk te stellen van de inkomens- en vermogenspositie van de ontvanger ? (Van Cleeff weet daarover wel meer.)
Hoofdstuk VI Inkomensverhoudingen.
Ik mis in dit hoofdstuk een opmerking over het merkwaardige feit dat, voor zover de gegevens beschikbaar zijn, is gebleken dat de primaire verdeling tussen arbeid, kapitaal en grondeigenaren over bijna een gehele eeuw practisch proportioneel is gebleven. (Zie mijn Economische Bewegingsleer.)
blz. 9, onderaan. Hier moet een en ander zijn uitgevallen, want de hier gemaakte vergelijking tussen 1938 en 1948 is onduidelijk. Indien men beide keren f 5000.- als inkomen heeft genomen, is dat natuurlijk onjuist; men zou de tweede keer een bedrag hebben moeten nemen, dat ofwel in evenredigheid met de kosten van levensonderhoud is gestegen, ofwel met het gemiddelde inkomen per hoofd.
blz. 10 De conclusie op blz. 10 hangt, voor zover ik kan zien, daardoor ook in de lucht.
blz. 14 Moet hier nog niet iets gezegd worden over de door Vos voor 1935 onderzochte gratis-overheidsdiensten ?
Voorts lijkt mij op regel 17 van onder het woord vele niet voldoende gemotiveerd. Verdient het tenslotte geen aanbeveling ook nog de cijfers te geven, die de verdeling van de consumptie over de grote klassen der bevolking illustreren ? (Centraal Economisch Plan 1951, tabel 20.) Weliswaar is dit onderwerp niet strikt genomen aan de orde, maar het geeft het duidelijke bewijs dat men een objectieve en zo volledig mogelijke analyse heeft gegeven.
blz. 18 De opvatting bestaat bij de Regering, dat de hoge staatsfunctionarissen op het ogenblik in die zin onderbetaald worden, dat zij gemakkelijk weggekocht worden door het bedrijfsleven. Dit zal natuurlijk veranderen, indien men de beloningen in het bedrijfsleven wat meer drukt. Mogelijk ware ter verduidelijking dit nog te vermelden.
blz. 19. Zou er niet even op moeten worden gewezen, dat bij toepassing van de werkclassificatie men slechts komt tot een bepaling van de volgorde van de beloningen, maar nog niet tot het bepalen van de onderlinge verhouding. Dit is een apart vraagstuk aan de insiders wel bekend. Men zou kunnen zeggen dat dit dan door nadere enquêtes en nader onderzoek moet worden opgelost, hetgeen m.i. ook kan worden verdedigd.
Met vriendelijke groeten,
-
en
PROF. DR J. TINBERGEN
THE HAGUE, 12 November 1951
Sijzenlaan 41
164
Mr. Drs J.M. den UYL, Wiardi Beckman Foundation, Tesselschadestraat 31, AMSTERDAM
Amice,
In response to your request for comments on the plan chapters, let it be said that I have read two pieces, of which I understood from a few words from Vos, that you were most interested in them as far as my comments are concerned. Here follow the relevant short remarks:
Chapter II Property Relations.
p. 14 As you know, I am somewhat more skeptical about the productivity of nationalized companies and I wonder if the top paragraph can be made true with some more facts.
p. 15 last paragraph above "Internationalization": Does this change much through socialization?
p. 18 Would it not be good to point out that in the regulation of control of business life by the government, so many forces are required? (En passant: onoverkomelijk is written without an n.)
p. 24 Is it perhaps worth mentioning Meade's idea here, to make the rate of inheritance tax dependent on the income and wealth position of the recipient? (Van Cleeff knows more about that.)
Chapter VI Income Relations.
I miss in this chapter a remark about the remarkable fact that, as far as data are available, it has appeared that the primary distribution between labor, capital and landowners has remained practically proportional over almost an entire century. (See my Economic Theory of Motion.)
p. 9, bottom. Something must have fallen out here, because the comparison made here between 1938 and 1948 is unclear. If one has taken f 5000.- as income both times, that is of course incorrect; one should have taken an amount the second time that has either increased in proportion to the cost of living, or with the average income per head.
p. 10 The conclusion on p. 10 is, as far as I can see, therefore also up in the air.
p. 14 Should something not be said here about the free government services investigated by Vos for 1935?
Furthermore, the word "many" on line 17 from the bottom does not seem sufficiently motivated to me. Finally, does it not deserve recommendation to also give the figures that illustrate the distribution of consumption over the large classes of the population? (Central Economic Plan 1951, table 20.) Although this subject is not strictly speaking on the agenda, it gives clear proof that an objective and as complete as possible analysis has been given.
p. 18 The view exists within the Government that high state officials are currently underpaid in the sense that they are easily bought away by the business world. This will of course change if one depresses the rewards in the business world a bit more. Perhaps this should be mentioned for clarification.
p. 19. Should it not be pointed out that when applying job classification, one only arrives at a determination of the order of rewards, but not yet at determining the mutual relationship. This is a separate issue well known to insiders. One could say that this must then be solved by further surveys and further research, which in my opinion can also be defended.
With kind regards,