-
Title
-
Letter to B.M.S. van Praag
-
Date
-
1973
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR_B.3.7-10
-
5
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM5_NL-RtEUR_TBCOR_B.3.7-10.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
15 juni 1973
De Hooggeleerde Heer
Professor B. van Praag
Rijksuniversiteit te Leiden
Economisch Instituut
Groenhovenstraat 5
Leiden
Beste Bernard,
Zoals ik in ons prettige en nuttige gesprek van gisteren beloofde stel ik mijn zienswijze over een toekomstig program van onderzoek op schrift, zonder nu al de vraag te beantwoorden wie dit program zouden kunnen uitvoeren.
De algemene bedoeling van het program zou zijn om de twee benaderingen van de meting van het nut te integreren, waar dat mogelijk is en de verschillen die blijven uit te drukken in de terminologie van elk der benaderingen. Er is een goede kans dat de integratie lukt, omdat er enige essentiële punten van overeenstemming zijn, t.w. (a) beide methoden nemen aan dat het nut meetbaar is; (b) beide nemen aan dat het afhangt van (i) inkomen (ii) genoten onderwijs en (iii) beroep, terwijl er geen meningsverschil over bestaat dat invloed wordt uitgeoefend door (iv) de gezinsgrootte en (v) enige andere sociale kenmerken, bv. of de vrouw werkt en hoeveel.
T.a.v. de wiskundige vorm stel ik mij flexibel op, terwijl voor een goed deel van de curve de twee tot nu toe gekozen vormen op elkaar gelijken.
De "preference drift" kan in mijn benadering als een funktie van de tijd of van vroeger inkomen worden opgenomen. Als generalisatie van beide methoden kan het invoeren van multipele kenmerken van het beroep (bv. uit de werkclassificatie) en van de persoon (door psychotechnische tests of door gegevens uit carrièreplanningsdossiers) worden overwogen.
Een eerste zeer concreet voorbeeld van een poging tot integratie, resp. formulering van verschillen wordt genoemd de vervanging, in het onderzoek van Van Praag, van het inkomen door een "inkomen gecorrigeerd voor beroepsonlust (of -lust) en voor de spanning tussen genoten en voor het beroep gewoonlijk vereist onderwijs. Met name zou dan interessant zijn welke waarden de coëfficiënten c1 en c2 (Tinbergen-notatie) zouden moeten hebben om de ? en de ? (Van Praag) voor alle onderscheiden groepen gelijk te maken.
Een tweede denkbaar onderzoek is om in het materiaal van Tinbergen op te nemen enige der sociale gegevens die door Van Praag zijn verzameld.
Afgesproken is dat ca. midden augustus het gesprek zal worden voortgezet en dat in die tussentijd nagedacht zal worden over personen die vrijwillig werk kunnen doen (promovendi of schrijvers van doctoraalscripties).
Mocht je menen op dit ontwerp amendementen te moeten aanbrengen, dan zal ik het graag van je vernemen.
Met beste groeten,
(J. Tinbergen)
-
en
June 15, 1973
The Highly Learned Gentleman
Professor B. van Praag
University of Leiden
Economic Institute
Groenhovenstraat 5
Leiden
Dear Bernard,
As I promised in our pleasant and useful conversation yesterday, I am putting my views on a future research program in writing, without yet answering the question of who could carry out this program.
The general intention of the program would be to integrate the two approaches to measuring utility where possible and to express the remaining differences in the terminology of each approach. There is a good chance that the integration will succeed because there are some essential points of agreement, namely: (a) both methods assume that utility is measurable; (b) both assume that it depends on (i) income (ii) education received and (iii) profession, while there is no disagreement that influence is exerted by (iv) family size and (v) some other social characteristics, e.g., whether the wife works and how much.
Regarding the mathematical form, I am flexible, while for a good part of the curve, the two forms chosen so far are similar.
The "preference drift" can be included in my approach as a function of time or of previous income. As a generalization of both methods, the introduction of multiple characteristics of the profession (e.g., from job classification) and of the person (through psychotechnical tests or through data from career planning files) can be considered.
A first very concrete example of an attempt at integration, or formulation of differences, is the replacement, in Van Praag's research, of income by an "income corrected for occupational dissatisfaction (or satisfaction) and for the tension between education received and the education usually required for the profession. In particular, it would then be interesting to see what values the coefficients c1 and c2 (Tinbergen notation) should have to make the ? and the ? (Van Praag) equal for all distinct groups.
A second conceivable study is to include in Tinbergen's material some of the social data collected by Van Praag.
It was agreed that the conversation will be continued around mid-August and that in the meantime, thought will be given to people who can do voluntary work (PhD students or writers of master's theses).
Should you feel that amendments should be made to this draft, I would be happy to hear from you.
With best regards,
(J. Tinbergen)