-
Title
-
Letter to G. Brouwers
-
Date
-
1953
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR01_019B033
-
4390
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM4390_NL-RtEUR_TBCOR01_019B033.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
126 D/T T/Vos 19 Juni 53
PERSOONLIJK EN VERTROUWELIJK
De Hooggeleerde Heer Prof. G. Brouwers, Secretaris-Generaal van het Ministerie van Economische Zaken, Bezuidenhout 30, Den Haag.
Amice,
In antwoord op het mondelinge verzoek van Mr Woudstra, geef ik je onderstaand mijn visie omtrent het vraagstuk van de leiding van het C.B.S. Het komt mij voor, dat het zowel voor Derksen als voor Verstege moeilijk zou zijn, wanneer een van beiden onder de ander zou moeten werken. Gegeven het feit dat Derksen op internationaal terrein zeer nuttig werk doet, vraag ik mij af of het dan niet beter is, dat hem alsnog wordt bericht dat hij niet behoeft terug te komen. In de plaats van Derksen zou men wellicht, indien de heer Verstege directeur zou worden, voor de post van onderdirecteur een beroep kunnen doen op de heer P. de Wolff, thans directeur van het Bureau van Statistiek der gemeente Amsterdam en lector aan de Universiteit van Amsterdam. Men zou daarbij de heer de Wolff moeten toestaan het lectoraat te blijven waarnemen.
Ik heb nog over verschillende andere oplossingen nagedacht, maar vind het moeilijk een ander aan te bevelen. Uiteraard is het mij niet bekend of de heer de Wolff er voor zou gevoelen. Tot het geven van nadere inlichtingen over zijn persoon ben ik uiteraard zeer gaarne bereid.
Met vriendelijke groeten,
(J. Tinbergen)
-
en
126 D/T T/Vos 19 June 53
PERSONAL AND CONFIDENTIAL
The Highly Learned Gentleman Prof. G. Brouwers, Secretary-General of the Ministry of Economic Affairs, Bezuidenhout 30, The Hague.
Amice,
In response to the oral request from Mr. Woudstra, I provide you below with my vision regarding the issue of the leadership of the C.B.S. It seems to me that it would be difficult for both Derksen and Verstege if one of them had to work under the other. Given the fact that Derksen does very useful work in the international field, I wonder if it would not be better to inform him that he does not need to return. In place of Derksen, if Mr. Verstege were to become director, one could perhaps call upon Mr. P. de Wolff for the post of deputy director, currently director of the Bureau of Statistics of the municipality of Amsterdam and lecturer at the University of Amsterdam. In doing so, Mr. de Wolff should be allowed to continue his lectureship.
I have thought about several other solutions, but find it difficult to recommend another. Naturally, I do not know if Mr. de Wolff would be inclined towards it. I am, of course, very willing to provide further information about him.
With kind regards,
(J. Tinbergen)