-
Title
-
Letter to H.J. Witteveen
-
Date
-
1954
-
Date in document
-
yes
-
Formulas or calculations
-
no
-
Inventory number
-
NL-RtEUR_TBCOR01_020A068
-
5713
-
Storage location
-
Specifiek Magazijn
-
Filename
-
CDM5713_NL-RtEUR_TBCOR01_020A068.pdf
-
Provenance
-
Jan Tinbergen
-
Accrual Method
-
donation
-
Rights
-
-
Revised transcript
-
ne
6 8 D/T 2 Maart 54 54
T/Vos
165
Het Bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds, R. J. Schimmelpennincklaan 20, 's-Gravenhage
Naar aanleiding van de over de hoogte van het werkloosheidscijfer gevoerde discussie, delen wij U mede dat het cijfer van 15%, genoemd in ons prae-advies, uiteraard een globaal karakter had en bedoeld was als een cijfer, dat duidelijk lager lag dan het peil dat in de grote depressie is bereikt. Ofschoon het juist is dat de percentages opgegeven door de werkloosheidskassen niet representatief zijn, hebben wij toch ook wel bezwaar tegen de alternatieve berekening waarbij het aantal werklozen wordt gedeeld door de onzelfstandige beroepsbevolking. Deze laatste toch bevat een aanzienlijk aantal werknemers, die niet aan eigenlijke werkloosheidsrisico's zijn onderworpen. Dit vindt ook zijn weerslag in het aantal tegen werkloosheid verzekerden, dat naar schatting 2,2 mln bedraagt, terwijl thans het aantal onzelfstandige beroepspersonen ongeveer 3,2 mln bedraagt. Het verschil kan voor een belangrijk gedeelte op de volgende wijze verklaard worden. De omvang van het overheidspersoneel kan worden geschat op 400 000, die van het huispersoneel op 200 000, de personen ouder dan 64 jaar op 65 000 en de personen met een inkomen van meer dan ƒ 6000.- per jaar op bijna 200 000.
Daarbij komt nog dat de samenstelling van de beroepsbevolking zich sedert de dertiger jaren niet onaanzienlijk heeft gewijzigd in de richting van de meer conjunctuurgevoelige beroepen. Van de zoëven genoemde 2,2 mln verzekerden kan worden geschat, dat thans 5 % meer in de metaalnijverheid werkzaam is dan in de jaren kort na 1930, hetgeen bij een aangenomen verschil van het werkloosheidspeil tussen deze metaalgroepen en het gemiddelde der overige groepen van 20 %, opnieuw 1 % meer werkloosheid betekent dan in de dertiger jaren zou zijn opgetreden.
-2-
Een en ander overziende komen wij tot de volgende conclusie. Indien men het absolute aantal werklozen in het jaar 1936 had betrokken op de onzelfstandige beroepsbevolking, zou het werkloosheidsrisico vermoedelijk in de buurt zijn gekomen van een percentage van 23. Indien men hierbij nog optelt de 1 % extra werkloosheid die in de tegenwoordige tijd door de veranderde structuur van de beroepsbevolking in het geval ener zware depressie daarbij gekomen zou zijn, dan wordt dit percentage 26. Doet men daartegenover tot gelding komen de waarschijnlijkheid, dat bij een eventuele depressie conjunctuurpolitiek van enige betekenis zal worden gevoerd door de grote landen, dan behoeft men dus niet het volledige risico van deze 26 % te nemen, doch slechts een gedeelte daarvan. Daarvoor was in ons prae-advies 50% gesteld, hetgeen dus tot een werkloosheidspercentage van 13 % voert. Dit cijfer wijkt van de door ons genoemde 15 % maar weinig af.
Bovenstaande beschouwingen zullen ook om een andere reden de berekeningen betreffende de premiehoogte, gegeven aan het slot van ons prae-advies, nog enigermate kunnen beïnvloeden, omdat in die berekeningen een zekere invloed wordt aangenomen van het huidige peil van de werkloosheid, hetgeen op 3 % wordt gesteld. Deze 3 % zijn waarschijnlijk berekend over de volledige beroepsbevolking; zou men ook hier slechts de verzekerde beroepsbevolking nemen, dan ligt het huidige percentage misschien iets hoger. De daarmee verband houdende wijziging in de berekeningen kan o.i. het beste door Uw bestuur zelf geschieden, waarbij de becijfering in het prae-advies als voorbeeld van de methode kan gelden. Dit element in de berekening zal wellicht de tendentie hebben de uitkomst iets te verhogen.
(H. J. Witteveen) (J. Tinbergen)
-
en
6 8 D/T 2 March 54 54
T/Vos
165
The Board of the General Unemployment Fund, R. J. Schimmelpennincklaan 20, 's-Gravenhage
Following the discussion held regarding the level of the unemployment rate, we inform you that the figure of 15%, mentioned in our preliminary advice, naturally had a global character and was intended as a figure that was clearly lower than the level reached in the Great Depression. Although it is correct that the percentages provided by the unemployment funds are not representative, we also have objections to the alternative calculation in which the number of unemployed is divided by the non-self-employed professional population. The latter contains a significant number of employees who are not subject to actual unemployment risks. This is also reflected in the number of people insured against unemployment, which is estimated at 2.2 million, while the number of non-self-employed professional persons currently amounts to approximately 3.2 million. The difference can be largely explained in the following way. The size of government personnel can be estimated at 400,000, that of domestic staff at 200,000, persons older than 64 years at 65,000, and persons with an income of more than ƒ 6000.- per year at nearly 200,000.
In addition, the composition of the professional population has changed significantly since the 1930s in the direction of more cycle-sensitive professions. Of the 2.2 million insured mentioned above, it can be estimated that 5% more are currently employed in the metal industry than in the years shortly after 1930, which, given an assumed difference in the unemployment level between these metal groups and the average of the other groups of 20%, means another 1% more unemployment than would have occurred in the 1930s.
-2-
Reviewing all this, we come to the following conclusion. If the absolute number of unemployed in the year 1936 had been related to the non-self-employed professional population, the unemployment risk would presumably have come close to a percentage of 23. If one adds to this the 1% extra unemployment that would have occurred in the present time due to the changed structure of the professional population in the event of a severe depression, then this percentage becomes 26. If, on the other hand, one takes into account the probability that in the event of a depression, economic policy of some significance will be pursued by the major countries, then one does not need to take the full risk of this 26%, but only a part of it. For this purpose, 50% was set in our preliminary advice, which thus leads to an unemployment percentage of 13%. This figure deviates only slightly from the 15% mentioned by us.
The above considerations may also, for another reason, influence to some extent the calculations regarding the premium level given at the end of our preliminary advice, because in those calculations a certain influence is assumed from the current level of unemployment, which is set at 3%. These 3% are probably calculated over the entire professional population; if one were to take only the insured professional population here as well, the current percentage might be slightly higher. The related change in the calculations can, in our opinion, best be carried out by your board itself, whereby the calculation in the preliminary advice can serve as an example of the method. This element in the calculation will likely have the tendency to increase the outcome slightly.
(H. J. Witteveen) (J. Tinbergen)