CDM2056_NL-RtEUR_TBCOR01_013D013.pdf
- extracted text
-
¥20 Januari 1950
De Heer Dr J.E.van pierendonck,
Groot Hertoginnela^P'^5ï
's~Gravenhage
Amice,
Ook je nieuwe geval heeft mij niet overtuigd. Mijn hoofdDunt is
dat er geen objectieve maatstaf van moeilijkheid der functies bestaat
en dat deze maatstaven altijd moeten zijn afgestemd op de marginale
arbeiders, die men nog nodig heeft. Ieder die van nature een functie
met meer gemak vervult dan de marginale man, die nog juist genoeg is,
geniet dan ook een zekere "premie", zoals in jouw voorbeeld de 56 exwerklozen. Het feit dat zich voor de tweede functie "goede economische
mogelijkheden openen" wil zeggen, dat het werk in deze tweede tak nuttiger is en dat daaromraensenmoeten worden afgetrokken van de eerste
tak. De marginale man van de eerste tak wordt daardoor verplaatst
naar nr 950, die de eerste functie van nature iets gemakicelijker kan
uitvoeren dan nr 1000 en de maatstaf van moeilijkheid van het werk
moet in den vervolge aan deze nr 950 worden afgemeten. Vandaar dat het
naar mijn mening redelijk is, dat de arbeiders in de eerste functie
nu relatief rninder worden beloond dan de.ajjc-w^riclozen.
Gaarne vern^gffliik nog even v^an Je welke"tekst Je wilt doorgezon
don hebben.
,, Met vriendellj'te groeten,
Part of Letter to J.E. van Dierendonck