CDM2267_NL-RtEUR_TBCOR01_014W031.pdf
- extracted text
-
19 December 1950
De Heer W.J. van de W o e s t i j n e ,
C e i n t u u r h a a n 295»
E'j^ssum.
Amice,
Je brief van 27 Februari drukt nog zwaar op mijn geweten. De stuki
die je in de Groene schrijft,behoef je mij niet te zenden want ik sla z«
nooit over en bén er vl*ijwel zonder buitengewoon mee in mijn schik. Ik
vind ze aanmerkelijk beter dan al je concurrenten.
Wat Je artikel over de vorm van de vraagcurve betreft, ik moet
tot mijn spijt bekennen dat me werkelijk de tijd ontbreekt om hierin zo
diep in te gaan als het onderwerp waard zou zijn. Daarmede bedoel ik da1
het nodig zou zijn de zaak ook geheel mathematisch met gebruik van de
inkomensverdeling door te werken. Ik stel dus uitdrukkelijk voorop dat
ik daartoe geen gelegenheid heb gehad en mijn verdere opmerkingen zijn
dus ook onder dit voorbehoud.
Ziehier dan verder mijn indruk: met je critiek op de rechte lijn
en de hyperbool ben ik het wel eens. Ook zal de werkelijke vorm van de
vraagcurve wel ongeveer zo zijn als je zegt. De gedachte on de grensvrac
#
9
nader te analyseren lijkt mij een gelukkige. Dat deze naaldvorraig is bij
de individuele vraag voor een ondeelbaar goed, is m.i. juist. De collectieve
vraag lijkt mij niet zuiver Gaussistisch: de inkomensverdeling is immers
safe en het lijkt t*priorl mogelijk dat de verdeling van de grensprijs
dat dan ook zou zijn. Het gehele betoog over de niet^ondeelbare goederen
is natuurlijk minder hecht gefundeerd en is ongetwijfeld een moeilijk onderwerp. Ik ben niet zeker dat er een algemene oplossing zou moeten bestaan.
Zie hier mijn opmerkingen. Wat zijn je plannen met het artikel ?
Met herhaalde verontschuldigingen voor de vertraging en met
vriendelijke groeten,
•
^
Part of Letter to W.J. van de Woestijne