CDM6889_NL-RtEUR_TBCOR01_024A001.pdf
- extracted text
-
15 Juni 1955.
Aan de leden van de redactie van het Maandblad
voor Acooiintanoy en Bedrijfshuishoudkunde.
Mijneheren,
Het is noodig, dut ik terU;P:kon op het conflict, dat in de maanden
Mei/Juni 1953 tussohen den heer van der Schroeff en mij is gereaen.
Destijds werd een stuk in zake het probleem der quantitatieve
verhoudingen, dat ik inzond, als dupliek in een debat met den heer
van der Schroeff, door de redactie - waar mijn opponent zelf deel
van uitmaakte - geweigerd op grond van de toon.
In dit conflict is geïntervenieerd door üw oud-redacteur Litnperg
en een deel van het resultaat van deze interventie werd gepubliceerd
in het M.A.B, van October 1953. Deze publicatie luidde als volgti
••Kwantitatieve verhoudingen
"Profeaaor Kleerekoper, die niet bevredigd bleek met het in het
"Aprilnuramer van ons tijdschrift geplaatste antwoord van Profes"sor van der Schroeff, had het voornemen, de gedachtenwisseling
"over het bovengenoemde onderwerp in onze kolommen voort te zetten,
"Ofsohoon de Redactie de discussie nog niet had gesloten en ook
"thans nog de gelegenheid wil openlaten om in de toekomst plaatsing
"te verlenen aan beschouwingen, welke nieuwe gezichtspunten openen,
"ziet zij geen heil in de voortzetting van de onderhavige penne"strijd in het M.A.B. Zij heeft deze haar zienswijze aan Prof,
"Kleerekoper medegedeeld, die, hoewel aanvankelijk met tegenzin
"omdat hij een zeker recht op de plaatsing van een repliek r'ieent
"te hebben, na hiertoe gepleegd overleg zich naar die zienswijze
"heeft gevoegd. Dit overleg zal nog v/orden voortgezet; indien één
"van de beide schrijvers t.z.t, publicatie van het resultaat daar"van mocht v/enaen en de uitkomst naar het oordeel der Redactie
"deze publicatie zou rechtvaardigen of gewenst maken, dan zal zij
"daartoe t.z.t. alsnog overgaan."
Bovendien werden op initiatief van uen heer Limperg twee colleges
gevormd n.l. een commissie van deslcundigen plus een eereraad om te
trachten tot een redelijke oplossing van het geschil te komen.
De eereraad zou zijn taak aanvangen nadat de commissie van deskundigen de hare sou hebben beëindigd.
Over dit voorstel Limperg is veel gecorrespondeerd en ook zijn er
al enkele stukken met betrekking tot het wetenschappelijke vraagpunt gewisseld, maar tot heden heeft nog geen enkele bespreking
plaats gevonden. Ik teeken hierbij aan, dat ik mij in deze zaak
steeds onmiddellijk heb gevoegd naar de eisohen der tegenpartij
en op alle gestelde vragen vrijwel onmiddellijk heb geantwoord.
2.
.Cviex
9b a«v neJbel 9b xx^A
m x^^^^^^^o^^^ 100V
taS'lt
Oüb^
.. ~
•«tl
r » l :?•'?
.-f«jtf ?'
—
«tM-
•reerf nsl) z^..
1^0» ,ti*««fltév
lesb \11t t
' "
^% «
p-^ '-- - j j j j
ijBij
tm rü
'«Itt- êJBÜffï '«i^-
.A'
t i n X«c
:>•« iros 9Xta%JLléirq
t
ttit
ne»
^^«1 X»#T « 1 S I
Ï8 I B
Aan de leden van de redaotie van het Maandblad voor
Acoountanoy en Bedrij fshuishoudkunde.
15.6.1955.
pag.2.
In deaen gang van zaken was voor mij bovengeoiteerde publicatie van
essentiëele beteöcenie. Immers hieruit werd het duidelijk, dat ik
wel in staat en bereid was om op de argumenten van mijn opponent te
antwoorden, maar dat de gelegenheid hiertoe mij was onthouden.
Nu is inmiddels (voorjaar 1955) een boek van de hand van den heer
van der Schrieff versohenen, waar het onderwerp in questie weer aan
de orde komt. Het boek draagt tot titel '"Kwantitatieve verhoudingen
en eoonomische proportionaliteit''. In dit boek v;ordt met aanhalingen
en citaten vrijwel volledig naar de bovenbedoelde polemiek verweaen
(pag.57, 58, 59 en 206), maar juist de essentiëele publicatie in het
M.A.B, van October 1953 wordt niet vermeld. Zoodoende wordt precies
die suggestie gewekt, die de bedoelde publicatie zou trachten weg
te nemen, n,l, dat ik door zwijgen had toegestemd in de argumenten
van mijn opponent.
Bij dezen stand van zaken heeft voor mij het voortzetten - of liever
het beginnen - van de door den heer Limperg voorgestelde procedures
voor de bovengenoemde commissies allen zin verloren. Gezien het
tempo waarin de voorbereiding van de regeling Limperg is verlopen,
is het te verwachten, dat een judicium van beide oommissies nog een
zeer langaa tijd op zich zal laten ^vaoiiten en het dcor mijn opponent
inmiddels gecreëerde fait accompli zal zijn werk dan vrijwel volledig gedaan hebben. Ik deel U bij deze daarom mede, dat door mij aan
deze regeling niet meer zal worden medegewerkt on dat ik mij t.z.t.
de middelen zal verschaffen óm deze geheelo aangelegenheid onder de
aandacht van het wetenschappelijke publiek te brengen.
Het zal U na dit alles wel duidelijk zijn, dat ik onder geen omstandigheid meer bereid ben om een schriftmir van. mijn hand ter beoordeeling voor te leggen aan een redaotie, waar de heer van der
Sohroeff deel van uitmaakt. Ik moet ü dan ook verzoeken om ten minst»
voor den tijd, dat de heer van der Schroeff lid van Uw redaotie is,
mijn naam als rubriek-redacteur te schrappen
Te Uwer oriënteering deel ik U mede, dat ik deze beslissingen genomen
heb na ruggespraak met Prof.Limperg, die deze heeft gebillijkt en U
daaromtrent binnenkort zelx mededeling zal doen.
Van dezö^brief zal ik een afschrift sturen aan de heeren Hogeweg en
Eeder, die destijds zitting in Uv/ college hebben r-ehad.
Hoogachtend
n o o v f)BXcfJbrtsiiM tsd HBV s ü o s b s i
.' ' '
^-orisxjjffelti-iijL
njBv öJt;t
>I a b n.<iA
:^-jiiB&asjoooA
itf t l m l o o v BBW n9:'>s 'JSY '^n'^^
crsss^ n ï
l e s H ' rr^b rrsT biisrf eb rrpy .•>f'>oo' ire^' f ? ? ^ ! 1JRf?^TOov'• s i
ruBB 'j
p xil (
; i e i i/II
^Bb nev
913 iflBii sjtbeXI
asloi.
bnow
fT«)ct-c»-estterv t**^ '-.
.•;> f: Iff
_ t
Xolè^t
t
099
.
7«l> ,XI6
•# ^
- s i . i av
,xr
tBb
XXJI r l D
«n
ü
X£
- aJótltasI) 9ïb ,
Part of Letter to Maandblad voor Accountancy en Bedrijfshuishoudkunde