CDM5293_NL-RtEUR_TBCOR01_018D009.pdf
- extracted text
-
PROF. DR J . TINBERGEN
DEN HUG, 16 M-nrt 1953
Raamweg 18.
De Heer J.B.D. DERKSEN,
Box 20,
Grand Central P.O.
New York 17. N.Y.
Beste Dick,
Met belangstelling Jiebben Lips en ik van je
visie op de door de watersnood aangebrachte schade kennis genomen. Onze ramingen wijken in het bijzonder af
waar het de productiederving betreft. Ik zal daarom onze
raming op dit punt even kort toelichten, waarbij ik Lip's
becijferingen volg.
Volgens schatting van landbouwdeskundigen kan de
waarde van de weggevaHlen voortbrenging aan akkerbouw-,
tuinbouw- en veeteeltproducten in 1953 op fihO min worden
gesteld. De gecumuleerde invoerquote hierin is zeer laag,
en derhalve leek het verantwoord de derving aan netto nationaal product op circa ƒ 120 min te stellen. De waarde van
het pachten is in dit bedrag begrepen.
De derving aan toegevoegde waarde in de sectoren
buiten de landbouw is op circa ƒ 50 min gesteld. Bij jouw
raming voor de totale productiederving van ƒ >+00 h f 500
min, zou het bedrag in de overige sectoren dus 6 maal hoger
moeten zijn.
Een degelijke statistische onderbouwing van de
netto productiederving in de overige sectoren is uiteraard
niet voorhanden. Bij de vaststelling daarvan is echter overwogen, dat de consumptieve behoeften van de getroffenen door
middel van de omvangrijke hukpverlening van overheid en
particulieren op peil zullen blijven. Dit heeft tot gevolg
dat de productie van bedrijven, die goederen en diensten van
consumptieve aard voortbrengen, grotendeels gehandhaafd
zal blijven (met uitzondering van de landbouw, die hierboven
is behandeld). In zoverre de productie van de bedrijven in
de getroffen gebieden geen voortgang kan vinden, zal hun
verzorgingsfunctie door bedrijven in de niet getroffen gebieden worden overgenomen. De evacuatie heeft de overneming
van deze functie gemakkelijker gemaakt.
In de overige sectoren zal de productiederving
van bedrijven, die de industriële export voor hun rekening nemen, zeer gering zijn, aangezien de industrie in
de getroffen gebieden van weinig betekenis is. De geringere industriële export kan op circa ƒ 20 min worden gestéka.
Ook de invloed op de nationale investeringen zal
niet bijzonder groot zijn. De voorgenomen bouw van
woningen en boerderijen in de getroffen gebieden zal uitgesteld moeten worden, en zolang de landerijen onder
water staan zal wellicht niet tot aanschaffing van landbouwmachines worden overgegaan. De hiermede gemoeide bedragen overtreffen de ƒ 20 & / 30 min niet. Uit deze
hoofde is dus evenmin een grote productiederving te
verwachten.
In aanmerking nemende hoe de nationale bestedingen en de export zich ten gevolge van de ramp (afgezien van het herstel daarvan) zullen wijzigen, blijkt er
geen reden te zijn om ten aanzien van de productiederving
buiten de landbouwsector erg pessimistisch te zijn.
Tenslotte zou ik willen opmerken, dat de onderwijzers en leraren normaal doorbetaald worden. Evenals voor
andere ambtenaren pleegt men hun productie gelijk te stellen aan het uitgekeerde salarisbedrag. Er is dus geen reden
om hier met een productiederving te rekenen. In zoverre je
dit standpunt te formeel vindt, bedenk dan ook hier, dat de
geëvacueerde kinderen door leerkrachten buiten de getroffen
gebieden worden onderwezen; met andere woorden, de productie
verplaatst zich, gelijk in vele andere gevallen.
Met hartelijke groeten,
Je
Part of Letter to J.B.D. Derksen